De Franse Tijd

Door Albert Metselaar

De bloei en vooruitgang van de bevolking van het Hollandsche Veld was voornamelijk merkbaar in de 2e helft van de 18de eeuw, in de jaren '50 en '60, en had niet doorgezet. De velden waren aanvankelijk een wereld van schippers en verveners, maar waren nu voornamelijk een arbeiderswereld geworden. Het aantal schippers was wel weer gestegen, doch vormde op het geheel van de bevolking een minderheid. De groep ‘onmachtigen’ was groter en groter geworden. Armoe troef. Grotere verveners, met meer dan 25 morgen bezit, waren ten oosten van de Kruumte praktisch verdwenen. Van schoolmeesters horen we niets meer. "Het" Hollandsche Veld bestond niet meer. Er was een Hollandscheveld ten oosten en een Hollandsche Veld ten westen van Riegshoogte ontstaan, met grote onderlinge verschillen. Hoewel gegevens erover ontbreken moeten die sociale verschillen ook intern tot verdeeldheid geleid hebben.

HET HOLLANDSCHE VELD IN 1798

Toen in 1795 de Franse "bevrijders" en Patriotten de macht in de noordelijke Nederlanden overnamen viel hen een Hollandscheveld ten deel waar ze bij voorbaat al niet welkom waren. Het gros van de bevolking was Oranjegezind. Om een beeld van die bevolking te krijgen werd in 1798 een uitgebreide registratie gehouden, met het oog op het vormen van een burgerwacht. Heel het Hoogeveen werd in kaart gebracht. Het was geen echte volkstelling. De nadruk lag op de manlijke bevolking en men registreerde enkel de beroepsbevolking boven de 16 jaar. Maar het register verstrekt ons meer informatie dan de haardstedenregisters ooit voordien waar konden maken. De haardstedenregisters achtten enkel de hoofden van de huishoudens van belang en slechts een enkele keer een inwonend gezinslid met een eigen inkomen. Het register van 1798 laat ook die inwonende personen naar voren komen.

Een van de meest onnauwkeurige beelden moet het getal aan arbeiders geven. Juist in deze groep moeten veel jongeren gevallen hebben, beneden de 16 jaar (kinderarbeid was "gewoon"), en ook veel vrouwen trokken mee de velden in. Het getal van 99 zou dan ook waarschijnlijk bij een echte volkstelling zeker het dubbele zijn geweest. Een bijzondere turfgraver was Hendrik Pieters Duinkerken. Hij was sponturfmaker. Sponturf was een soort van baggerturf. Het feit dat hij speciaal als zodanig vermeld werd zal tevens ingehouden hebben dat het baggeren in het Hollandscheveld een ongewone bezigheid was. Turf werd namelijk hoofdzakelijk gestoken, met stikker en oplegger. Een register uit 1797 vermeld zijn beide zonen, Hendrik en Pieter, eveneens als sponturfmakers. In 1798 worden ze "arbeider" genoemd. Ze zullen bij vader gewerkt hebben. Vader was al vele jaren als turfmaker werkzaam.

SCHIPPERS EN VEENEIGENAREN

Het schippersbestaan was nog een uitgesproken manlijke bezigheid. Vrouwen bleven in deze periode nog aan wal. Varen was vooral het werk van de oudere manlijk jeugd en volwassenen. Het getal van "71" moet dan ook vrij nauwkeurig zijn. Het getal aan schippers lag duidelijk hoger dan het aantal praambezittende huishoudens, 49 in 1794 en 46 in 1804. Een schipper/ vervener bezat noga1 eens meerdere pramen, door zonen of anderen bevaren. Enkel de bezitter was voor de opsteller van de haardstedenregisters van belang en werd speciaal geregistreerd. Ook als een veldeling in dienst van een vervener uit het dorp voer kwam dit in de haardstedenregisters niet naar voren. Al deze personen werden wel geregistreerd als schipper in 1798, ook al hadden ze geen eigen schip. Een duidelijk verschil zien we zo als we het gezin van Jan Peter Steen uit de diverse registers lichten. In 1794, in het haardstedenregister, werd hij enkel geteld en in 1798 blijken zowel hij als zijn 4 zoons schipper te zijn. Het aantal geregistreerde schippers moet min of meer gelijk zijn aan het aantal pramen in de velden. De praam bezittende huishoudens en de schippers uit 1798 verhouden zich als 49:71 = 7:10. Op basis van dit gegeven is een schatting te maken van de pramenvloot en het aantal schippers en pramen uit voorgaande jaren en enige tijd later, 1804. De cijfers:

Jaar - Praambezitters - Schippers en pramen:

1742 - 25 - 36

1754 - 37 - 53

1764 - 31 - 44

1774 - 45 - 64

1784 - 47 - 67

1794 - 49 - 71

1804 - 46 - 66

De grotere veenbezitters van het Hollandscheveld werden veelal aangeduid als venebaas of veneboer. In de notulen van de Hollandsche Compagnie sprak men oorspronkelijk over veenmeesters, maar deze term was inmiddels helemaal verdwenen. De enige veneboer uit het Grote Blok was Simon Jans Schonewille, die uit het Vierkante Blok heetten Jannes Thijs Thalen, Thijs Jannes Thalen en Lambert Hartman. In het 2de Blok waren de groten in die dagen Harm Alberts Koster, venebaas en aldus ook optredend namens de wed.H.J.Carsten, Reinder van Oosten en Jan Christiaans Hartman. Het beeld dat de lijst van 1798 ons geeft is niet helemaal volledig. Enkele veldelingen werden qua beroepsaanduiding in een andere bevolkingsgroep opgenomen en bezaten toch meer dan 25 morgen veen: Klaas Roelofs Troost, Hendrik Thijs Thalen en Warner Jacobs Sempel. Samen met mede-participant Thijs Jannes Thalen en hoofdparticipant Harm Alberts Koster vormden ze een vijftal dat de bovenlaag van de toenmalige veldbewoners geweest moet zijn. Wat niet wil zeggen dat er onder andere veneboeren en schippers ook niet veel veen zat. De echte top was echter zo klein geworden, en de rest van de bevolking zo gegroeid, dat ze op het geheel van de velden verwaarloosbaar klein geworden was. De top van het kerspel Hoogeveen zat verder volledig in het dorp rond Kruis en kerk of op de rand van de velden. Benamingen en beroepsaanduidingen van mensen met uitgestrekte bezittingen konden soms ver uiteen lopen. Zo rond 1830 bezat Hendrik Hendriks Duinkerken zo'n 20 bunder veen, woonde in een hut en heette arbeider te zijn. Verschillende "veeneigenaren" en "veenbazen" hadden minder veen.

GERRIT ENGELS

Nog steeds zwierf er over de Hollandscheveldse hei een kudde schapen. Scheper Albert Berents, uit het midden van de 18e eeuw, leefde al lang niet meer. Wie zijn opvolger was is niet bekend. In 1798 staat de kudde onder leiding van scheper Gerrit Engels. Gerrit Engels was nog een jonge vent. Hij was in 1782 geboren als zoon van Engel Gerrits en Aaltje Pieters. Gerrit was inwonend bij Arent Jans Schonewille, in het Grote Blok. Zoals we in 1807 zullen zien woonden in het Grote Blok in die dagen de grootste schapeboeren. Het Vierkante Blok was al voor een deel ontgonnen, waardoor men minder gelegenheid had om met de schapen te trekken, maar in het Grote Blok kon men nog uren dolen. Oostwaarts leken de velden eindeloos. Gerrit's leeftijd en onderdak moeten wijzen op een gebruik dat ook elders wel in zwang was. Schapehouders huurden een jongere - of een volwassene die om de één of de andere reden het harde turfgraversleven niet goed aankon - en die dan om de beurten door een van de schapehouders in huis genomen werd. Men gaf hem de kost en onderdak en gezamenlijk een karig loon. Als na het schaapsscheren de wol klaargemaakt was om verwerkt te worden, konden de spinsters aan de slag. Men telde er in 1798 in het Hollandsche Veld zo'n 20 spinsters.

Anderen die indirect van veen en hei leefden waren de bijkers. Vele veldelingen verdienden door het plaatsen van korven wat bij, maar juist door zich bijker te noemen gaf men aan dat dit voor hun huishouden op dat moment de belangrijkste bron van inkomsten was. De beide bijkers waren Jan Hendriks Booy en Salomon Koerts Salomons, wiens vader Koert Salomons ook al bijenvolken gehad had. In zijn topjaar l765 had Koert Salomons 9 zwermen. Een register uit 1797 vermeldt nog een 3de bijker, Reinder Jans uit het Grote Blok.

TAPPERS EN BOEREN

Hoeveel kroegen waren er in het Hollandscheveld? De tappers zaten deels verscholen achter mooie namen als hospes, herbergier of kastelein, deels waren ze niet vermeld. Hendrik Pieters Duinkerken (de sponturfmaker) en Simon Jans Schonewille (de veneboer) tapten, zo weten we uit andere bronnen. Ook het kroegje van Jantien Derks, de weduwe van Jan Naantjes, in 1797 nog genoemd als "Castelainsche", moet nog gefunctioneerd hebben. In het Grote Blok zaten 7 van de 10 tapperijen. Die van de hospessen Jan Booys Slot, Simon Benjamins en Harm Jans Schonewille, die van ‘herbergiersche’ Annegje Harms Schonewille (wed.Jan Faken ten Kaat), en die van Simon Jans Schonewille, Hendrik Duinkerken en Jantien Derks. In het Hollandscheveld ten westen van de Riegshoogtendijk vinden we maar 3 tappers: Albertien Koerts (wed. Breider Arents) op de 11e wijk van het Vierkante Blok, Hendrik Roelofs Dodevis op de noordkant van het opgaande en op een van de eerste wijken van het Vierkante Blok, en het schijnbaar onverwoestbare kroegje bij de Kruumte van "castelain" Jannes Lowijs. Uit de hoge concentratie tappers in het Grote Blok - er waren daar 49 gezinnen woonachtig en 1 op de 7 huishoudens had dus een tapperij - en het feit dat 25 van die 49 huishoudens = 51% onmachtig was, mag niét zondermeer geconcludeerd worden dat daar dus een absoluut verarmde bevolking woonde die meer dan 2x zoveel dronk dan de bevolking elders in de velden en de laatste duit wegbracht. Over een verklaring voor het grote aantal tapperijen straks meer.

Eigenlijk was iedere schipper/vervener tevens een boer en iedere arbeider met een beetje welstand een keuter. Ze hielden vee en bebouwden de gronden rond hun woning. Het Hollandscheveld van 1798 kende dan ook in wezen tientallen boerderijen. Dat 5 huishoudens specifiek in die hoedanigheid aangeduid werden, moet een betekenis hebben. Voor hen was het boerenbedrijf geen nevenbedrijf, naast het turfgraven of het schippersleven. Voor hen was het de belangrijkste bron van inkomsten en veenarbeid was bijzaak. Tijdens de hele 18de eeuw vinden we zo af en toe mensen specifiek als boer vermeld, maar hun aantal was steeds maar vrij klein. De boeren van 1798 zaten over het hele Hollandscheveld verspreid, al zat er maar één in het Grote Blok: Albert Roelofs. In het Vierkante Blok werden er twee vermeld: Jan Hendriks Fictorij en Lambert van Darel. In het 2de Blok werden er ook twee gevonden. In 1797 vinden we in 't Vierkante Blok nog boer Hendrik Hilberts. De rol van de boeren was steeds ondergeschikt aan die van de verveners. Verveners werden in besturen gekozen, verveners hadden invloed in compagnieverband. De boeren bewerkten hun grond en melkten hun vee en binnen de geschiedenis van het Hollandscheveld hadden ze nog geen of weinig invloed. Enkel Jan Hendriks Fictorij zal hierop een uitzondering gaan maken.

HANDWERKSLIEDEN

Een kleine groep bewoners die pas in het laatst van de 18de eeuw naar voren komt, wordt gevormd door de handwersklieden. Er had al wel eens een schoenmaker in het Hollandscheveld gewoond, Theije Harms (die uit het Vierkante Blok die ooit met Reind Geerts Siepen overhoop lag) maar het is niet zeker of hij zijn ambacht toen nog wel uitvoerde. Als schoenmaker werd hij enkel vermeld in de dagen dat hij nog op de oostkant van de Eerste Wijke woonde, in het dorp. Na de in 1764 in het haardstedenregister vermelde scheepstimmerman en zijn knecht is het feitelijk lang stil gebleven. Het Hollandscheveld van 1798 kende ook een scheepstimmerman: Hendrik Koerts Winkel. Hij woonde dermate dicht bij het Oude Opgaande, aan de Boekweitensloot, dat hij amper tot de bevolking van de velden gerekend kan worden. Geert Tibben, de timmerman, wel weer. Geert woonde ook in het 2de Blok, maar verder zuidwaarts, op de oostkant van de Boekweitensloot. In het Vierkante Blok vinden we een stoelwinder, Hendrik Kroezen, en de scheepstimmermansknecht Peter Ghijzen. Willem Aarts Klunder, de slachter uit het Vierkante Blok, werd ook al als zodanig vermeld in een register uit 1797. Jan Jans Bouwmeester, de kleermaker die getrouwd was met de dochter van meester Dodevis, was evenals bij zijn komst, rond 1794, naast kleermaker werkzaam als koopman. Waar hij in handelde weten we niet. In het haardstedenregister van 1804 vinden we een concurrent van hem. Bij de Kruumte woont dan ook kleermaker, de snijder zoals men zei, Jan van Dalen. Jan van Dalen wordt nadien niet meer als zodanig vermeld. Blijkbaar was er voor twee kleermakers niet voldoende klandizie. Inmiddels kende het Hollandscheveld ook een tweede koopman, hospes Hendrik Roelofs Dodevis, de laatste zoon van de schoolmeester die nog in leven is. Bij de Kruumte woonde Jan bij 't Lugt. Jan was knecht op de veerschuit van Hoogeveen naar Meppel.

DE SCHUTTERS

De patriotten hadden in de jaren '80, tijdens de felle politieke strijd met de Prinsgezinden, excercitiegenootschappen oftewel vrijkorpsen gehad. Toen de politieke strijd in het voordeel van de Prinsgezinden beslist werd, werden deze weer ontbonden. Met de komst van de Fransen in 1795 werden deze semi-militaire groepen schutterijen weer opnieuw gevormd. Het doel was te komen tot een soort van nationale weermacht, een burgerwacht. De leden werden bewapend. Het was een functie, uitgeoefend naast het eigenlijke beroep, en geen betaalde baan. Alle "ware vaderland- en vrijheidminnende personen" zouden hierin dienst kunnen nemen. Onder de Prinsgezinde bevolking van het Hollandscheveld bestond vrijwel geen animo. In het register van 1798 vinden we in het Hollandsche Veld slechts 3 schutters vermeld! In het 2de Blok woonden 2 schutters, Geert Tibben en Warner Jacobs Sempel, en in het Vierkante Blok vinden we Roelof Jonker. En deze 3 heren waren ook nog geen ‘autochtone’ Hollandschevelders. Hun familie's woonden elders op het Hoogeveen en zijzelf waren "import" in het Hollandscheveld, zij het dat ze er al weer jaren woonden. Het was niet verplicht om tot de schutterij toe te treden. Men kon er van af komen door vrijstelling aan te vragen. Deze werd alleen verleend aan zieken, personen met lichaamsgebreken, geestelijken, schoolmeesters, weduwen en "vrijsters" met een eigen huishouding. Vrijgestelden moesten wel contributie betalen. Wie geen vrijstelling kon krijgen betaalde een driedubbele contributie en was dan alsnog van zijn verplichtingen af. Veel Hoogeveners weigerden niet alleen toe te treden tot de schutterij, maar ook de driedubbele contributie. Men had een prachtige manier gevonden em de contributie toch binnen te krijgen. De 27e maart 1800 arriveerde op het Hoogeveen een afdeling ruiterij. Ze zou ingekwartierd moeten werden bij al de 384 Hoogeveense huishoudens die geen contributie hetaalden. Enkele weken later was alles binnen!

HET REGISTER VAN 1807

In 1807 werd wederom het hele Hoogeveen in kaart gebracht door middel van uitgebreide registratie. In tegenstelling tot het register van 1798 had men nu enkel interesse voor de beroepen van de gezinshoofden. In dat opzicht zijn de gegevens weer vrij goed te vergelijken met die van de haardstedenregisters, al kent dit vergelijken zijn beperkingen en zullen de gegevens tegen elkaar aangepast moeten worden. Het register geeft ons verder informatie over de veestapel, de hoeveelheid grond die men in gebruik had en het aantal inwonende kinderen. Het is een schat aan gegevens, waarmee tevens een beeld gekregen kan worden van de verhoudingen tussen de verschillende groepen in de samenleving. De groep praambezitters, zoals we die in de haardstedenregisters vonden, is nu opgesplitst in termen als schipper, veenderij en veenbaas. De middengroep en de groep onmachtigen, niet afzonderlijk in het register terug te vinden, heet nu arbeider, boer, schipper of tapper. Tappers en boeren waren er vaak veenarbeider bij en enkele van de schippers van 1807 zouden in de haardstedenregisters tot de middengroep gerekend moeten worden omdat ze niet zelf eigenaar van hun praam waren.

Op basis van de beroepsaanduidingen is er een andere groepsindeling te maken, die zelfs nog nauwkeuriger is dan voorheen mogelijk was. Een ieder die zich liet aanduiden als veenbaas of vervener hoorde tot de bovenlaag van de velden. Daaronder stonden de schippers, de boeren, de slager en de timmerman. De "kleine zelfstandigen". De derde en de vierde laag werden gevormd door de arbeiders. De arbeiders uit de derde laag konden de kerspellasten wel betalen, die uit de vierde niet. De uit de derde laag hadden vaak wat bouw- en/of weiland en wat vee, die uit de vierde niet. Die uit de derde waren gedeeltelijk afhankelijk van een werkgever, die uit de vierde volledig. Om de derde en de vierde laag van elkaar te kunnen scheiden is gebruik gemaakt van de verhoudingen uit het haardstedenregister van 1804, waar de vierde laag als de onmachtigen naar voren komt. Helemaal duidelijk zijn de afzonderlijke groepen niet van elkaar te scheiden, zodat er altijd een schattingselement inzit. Een andere manier om de bevolking onder te verdelen is door te zien hoe afhankelijk men was van het veen, van de opbrengsten van turf of boekweit. Gezien de beroepsaanduidingen, en in aanmerking genomen dat een tapper er arbeider of schipper bij was en dat ook de boer vaak arbeider in de venen was, was +98% van de bevolking van het Hollandscheveld op de venen ingesteld. Enkel de winkelier, de slager en de timmerman zijn enigszins los van het veen te zien, al is ook dat betrekkelijk. Aan de hoeveelheid grond die men in gebruik had is af te lezen hoe ver de afhankelijkheid ging. Wie een stuk grond had weidde koeien of verbouwde aardappels, toen net opkomend als volksvoedsel, en is aan te merken als gedeeltelijk afhankelijk van het veen. Wie dat niet had was volledig afhankelijk en een verminderde vraag naar turf = minder werk = minder inkomsten, betekende onmiddellijk dat het spook van de armoe op de loer lag. Opvallend is dat het berekende percentage huishoudens zonder grond in 1807 volledig overeenkomt met het percentage onmachtigen uit l804. Het benadrukt hoe belangrijk het voor de arbeider was om te zorgen dat hij een stukje grond kreeg. Want wie volledig afhankelijk was van het veen, en dus 's winters als het werk stil lag zonder inkomsten was, zou nooit boven de armoedegrens uitkomen.

DE BOVENLAAG EN DE ‘KLEINE ZELFSTANDIGEN’

Zoals eigenlijk te verwachten viel zat de bovenlaag volledig ten westen van Riegshoogte. In het Vierkante Blok waren dat de veenbazen Leendert Kreeft en Berent Bosman, de gecombineerde schipper en veenbazen Harm Post, Steven Hendriks Snippe en Arent Seinen, verveenster Aaltje Hendriks Thalen en boerin/verveenster Wed.Albert Wolters Klinkien. In het 2de Blok kende men de veenbazen Jan Christiaan Hartman, Harm Alberts Koster en Warner Jacobs Sempel, de boerin/verveenster Wed.Kleinmeyer en de schipper/veenbazen Jan Slot van Oosten, Jan Simens Scholten, Klaas Troost en Reinder van Oosten. Simon Jans Schonewille, net in het Grote Blok, moet ook nog tot de bovenlaag gerekend worden. In 1807 noemt men hem "arbeider" maar waarschijnlijk heeft hij zich meer zo gevoeld dan dat hij dat maatschappelijk gezien was. Als hij in 1811 ingeschreven wordt in het register van weerbare mannen noemt hij zich weer heel anders en blijkt hij wel duidelijk bij de bovenlaag te horen.

Slager Willem Aarts Klunder blijkt er een concurrent bij gekregen te hebben, Klaas Jans Dekker. Willem woont nu ergens in de omgeving van de Triangel en Klaas in het Vierkante Blok. Misschien goed om te vermelden dat de bevolking benamingen als Vierkante Blok en Triangel voor zover bekend amper meer gebruikte. Men woonde in het Hollandscheveld op de zoveelste wijk of benoemde de wijk bij een naam. De aanduidingen van de blokken schijnen in de loop van de 18de nieuw helemaal in onbruik geraakt te zijn en zo ze nog gebruikt werden was het door de grootgrondbezitters of grote verveners, die zo in traditionele termen hun bezit wisten aan te geven. Als in 1807 alle gronden beschreven worden, komen de namen zelfs helemaal niet meer voor! De oude blokindeling is echter een van de weinige mogelijkheden om het Hollandscheveld geografisch enigszins onder te verdelen zonder het historische verband kwijt te raken.

De ‘kleine zelfstandigen’: Het Hollandscheveld van 1807 kent voor het eerst een winkelier, Jan Jans Bouwmeester, gevestigd in het pand van wijlen schoolmeester Roelof Dodevis. In het Vierkante Blok zaten twee boerinnen, de weduwe van Jan Berends Boer en de weduwe van Lambert Hartman, en in de wereld rond de oude Boekweitensloot eveneens twee: de weduwe van Jan Metz en de weduwe van Roelof Heuvelman. Geert Tibben was nog steeds timmerman. Hendrik Koerts Winkel wordt nu timmermansknecht genoemd. Dit gegeven maakt het waar schijnlijk dat hij elders werkzaam was en niet zelf een werfje had. Bijker Koert Jans Slot uit het 2e Blok is moeilijk bij een groep in te delen. Was hij een "kleine zelfstandige" of was hij een arbeider met wat korfen die zich vanwege het statusverhogende effect bijker noemde? De namen van de vele schippers en arbeiders laten we verder voor wat ze zijn.

De tappers vormden geen aparte groep in het Hollandscheveld. Soms was de tapper onmachtig, soms een arbeider met bijverdienste, soms een schipper. Ook het register van 1807 meldt niet alle tappers. Hendrik Dodevis, nu wonende in het Grote Blok, heet gewoon arbeider. Later noemt hij zich weer herbergier en hij zal dus ook bij de tappers van 1807 gehoord hebben. Buiten hen kennen we nog 6 tappers ten westen van Riegshoogte. In de omgeving van de Kruumte 3 en in het Vierkante Blok ook 3. In totaal dus 14 tapperijen waarvan weer een hoge concentratie in het arme Grote Blok. Op de vraag waarom hier het armere bevolkingsdeel woonde komen we nog terug, maar deze armoe was er niet de oorzaak van dat er zoveel tappers woonden, hoewel het Grote Blok natuurlijk ook zijn drinkebroers gekend zal hebben. De hele turfgravers-, schippers- en vervenerswereld was gewend om bij allerlei gelegenheden een borrel te drinken. Na een handeltje, na het laden van een praam en bij vele andere gebeurtenissen ging de fles rond of werd er een glaasje gedronken in een nabijgelegen kroegje. De beste plaats voor een tapperij was dan ook zo dicht mogelijk bij het werkveld, zodat men de dorstigen direct op kon vangen en aan hen kon verdienen. In het Hollandscheveld was dit in het Grote Blok, het gebied waar nog volop turf werd gestoken en pramen werden geladen. De klantenkring van de vele tappers in het Grote Blok bestond dan ook niet alleen uit de eigen bevolking. De klantenkring bestond tevens uit de vele seizoenarbeiders die in hutten in de venen verbleven, uit de bewoners uit het Hollandscheveld ten westen van Riegshoogte en uit inwoners uit het dorp rond Kruis en kerk, de huidige plaats Hoogeveen.

SCHAPEN EN KOEIEN

Schapen worden door de veldelingen maar weinig gehouden. Jan Christiaan Hartman en de arbeider F.Jans uit het 2de Blok hebben ieder een schaap. In het Vierkante Blok zitten 2 huishoudens met één en 3 huishoudens met twee schapen. Pas op een van de laatste wijken vinden we een echte schapenhouder: Berent Jans Kikkert. Hij woont naast Hendrik Jans Metselaar en hij heeft 18 schapen. Ten oosten van de Riegshoogte zitten 2 huishoudens met één, 1 met drie en 2 met vier schapen. Frerik Arents Salomons heeft er 6. Hoe verder we het Zuider Opgaande afzakken, hoe groter de aantallen schapen worden. Harm Joseph heeft er al 10, Arent Jans Schonewille heeft er 15 en de grootste schapeboeren zijn Hendrik Fyctorie en de weduwe van Andries Faken Mol met elk 20 stuks. Al met al worden er in maar 18 huishoudens schapen gehouden, minder dan 1 op de 10. Schapen hield men om de melk, de wol of het vlees, en ze werden voornamelijk gehouden door de arbeidersbevolking. De kudde van het Hollandscheveld was in 1807 bij de telling zo'n 110 schapen groot en stond waarschijnlijk onder leiding van Jan Scheper of Scheuper. Jan Scheper gaf "arbeider" als beroep op, maar zoals gezegd was dit wel vaker meer een standsaanduiding dan zuiver een manier om iemands bezigheden aan te geven. Jan Scheper woonde in bij schapeboer/arbeider Harm Joseph en had 3 kinderen. Geen van de andere schapeboeren had verder een huishouden inwonend en dit, tesamen met Jan's naam, doet vermoeden dat Jan de scheper van die dagen was.

Wie het wat beter had hield koeien. Koeien waren enerzijds een soort van statussymbool en anderzijds broodnodig. Hoe meer koeien, hoe hoger iemands aanzien steeg. Koeien zorgden voor vlees en boter. Koeien waren duur en het kwam voor dat men een koe samen had met een kennis of een familielid. Vandaar dat men als bezit soms halve koeien opgaf. Men had het beest maar half in eigendom. Het aantal koeien bepaalde tevens de hoeveelheid weiland die men nodig had om ze te weiden en bepaalde dus de hoeveelheid grond die men ontgon. De stukken bouwland waren meest kleiner dan de stukken weiland. Ook gold natuurlijk het omgekeerde: men kon niet meer koeien kopen dan de grond bij de boerderij aankon. Zo zien we het grondgebruik en het aantal koeien gelijk op gaan. De grootste boerenbedrijven vinden we in het 2de Blok. Jan Christiaan Hartman had hier maar liefst 7 koeien, en de weduwe Kleinmeyer 6. In het Vierkante Blok zijn de bedrijfjes wat kleiner. Arbeider/tapper Hendrik Dekker heeft 6 koeien en Harm Jans Post en Berend Bosman hebben er beiden 5. Het aantal koeien, "hoornbeesten", in het Grote Blok is nog weer minder, al zitten hier ook enkele flinke bedrijfjes. Zo hebben Salomon Arends Salomons, Hendrik Fyctorie en Simon Jans Schonewille ieder 5 koeien. Was Hendrik Fyctorie met zijn 5 koeien en zijn 20 schapen arbeider? Het heeft er veel van weg dat in het Grote Blok ook bescheidenheid een grote rol speelde. Niemand had paarden.

INWONENDE KINDEREN EN WERKBODEN

Over het algemeen hadden de schippers van het Hoogeveen het grootste aantal kinderen inwonend. Dit zien we terug in de cijfers van het Vierkante Blok. Hier woonden binnen het Hollandscheveld de meeste schippers en hier was het gemiddelde kindertal ook het hoogst. Hoewel de gezinnen van de arbeiders gemiddeld kleiner waren maakten enkele van deze gezinnen wel deel uit van de toppers qua gezinsgrootte. Van de 3 huishoudens met 8 inwonende kinderen was er maar één van een schipper, het gezin van Jacob Klaas Snijder. De beide andere grote gezinnen waren die van de arbeiders Gosen Bonjamins en Jan Philips. Ook de gezinnen met 7 kinderen waren verdeeld over arbeiders en schippers: de huisvaders Albert Botties (Albert Jans Metselaar) en Egbert van der Weide waren arbeiders, en Hendrik Alberts Kats en Lambert Alberts Kats waren schippers. Opvallend is dat deze voor de streek extreem grote gezinnen merendeels gevonden werden op de laatste wijken van het Vierkante Blok en in het Grote Blok, in het oostelijke deel van de velden.

Behalve kinderen maakten soms ook inwonende ooms, tantes of grootouders deel uit van de huishoudens. Het register van 1807 geeft hier verder geen informatie over. Wel geeft het nog een overzicht van de werkboden in de velden. Werkboden werden gevonden in de huishoudens van Jan Christiaan Hartman, de wed. Jan Metz, Klaas Troost, Harm Berents Faken (ten Kaat), de wed.Roelof Heuvelman, Leendert Kreeft, Aaltje Hendriks Thalen, Jan Coerts, Steven Hendriks Snippe, Jan Bremer, wed. Lambert Hartman, Arend Seinen en Koert Arents Hartman. Al deze huishoudens waren gevestigd ten westen van Riegshoogte en ze hadden allen 1 werkbode. Slechts één huishouden had hier 2 werkboden, de weduwe Kleinmeyer. Ten oosten van Riegshoogte, in het Grote Blok, waren werkboden in de huishoudens van de weduwe van Jan Slot, Arent Jans Schonewille, Arent Jans Schonewille (er waren er 2 van die naam), Arent Salomons en Hendrik Fyctorie. Hendrik Fyctorie had zelfs twee werkboden. Het zijn de namen die we veelal al eerder vermeld hebben. De namen van veelal mensen uit de bovenlaag, die van enkele schippers en enkele tappers.

EEN ANALYSE

Na bestudering van gegevens uit 1756 kwamen we in ‘De eerste bewoners van het Hollandsche Veld’ tot de conclusie dat het Hollandscheveld van die dagen de sfeer uitademde van een vrij gegoed buitengebied. Er was geen algemene armoede, maar ook geen grote rijkdom. Voor het vóór 1756 gekoloniseerde gebied geldt deze conclusie in 1807 nog steeds. Het gebied dat na 1756 gekoloniseerd werd, het Grote Blok en de laatste wijken van het Vierkante Blok, op de noordkant van het opgaande, is echter een duidelijk arm gebied. Dit is ook duidelijk te herkennen als we de percentages "onmachtigen" bezien. De blokken ten westen van Riegshoogte zitten steeds beneden het gemiddelde van het gehele kerspel Hoogeveen. Het Grote Blok zit er vér boven. Het percentage "onmachtigen" binnen het Vierkante Blok zou steeds nog lager zijn als we de bewoners van de laatste wijken op de noordkant van het opgaande bij het Grote Blok zouden tellen. Een vergelijking met het Krakeel in 1756 leverde op dat het Krakeel duidelijk als armoedig gezien kan worden. Een vergelijking met het Krakeel zal in 1807 te zien geven dat het gebied min of meer gelijkwaardig is aan het Hollandscheveld ten westen van Riegshoogte. Waarom viel het na 1756 gekoloniseerde gebied zo uit de boot?

In de 2de helft van de 18de eeuw groeide het aantal huishoudens in het kerspel Hoogeveen van 633 in 1754 tot 976 in 1804. Een groei van 54%. Het werkaanbod groeide niet evenredig mee. De hoeveelheid van het Hoogeveen afgevoerde turf steeg tot in de jaren '60, maar daarna zijn de schommelingen in de afvoer te groot en het werkaanbod te onzeker om echt van een stijging te kunnen spreken. De hoeveelheid werk per arbeider werd dus gemiddeld minder, want het was vooral die arbeidersbevolking die groeide. De groei van de schippersbevolking bleef binnen bepaalde grenzen. Bij vermindering van werk werd een arbeider die als zetschipper voor een grote vervener voer ontslagen of gedegradeerd tot turfgraver. De zelfstandige schipper die door een verminderd aantal afvaarten = minder inkomsten zijn rentes en aflossingen niet meer kon voldoen moest ook weer gewoon turfgraver worden. Een gemiddeld verminderd werkaanbod leverde zo op dat vooral de arbeidersbevolking groeide en dat de gemiddelde vermindering van inkomsten vooral in deze klasse gevoeld werd. In de winter was een arbeider zonder eigen land en zonder vee werkloos. Als hij geluk had, kon hij werk vinden door mee te helpen graven aan de steeds verder oprukkende wijken en opgaanden. Bosbouw kwam nog amper voor en bossen leverden dus nog geen werk. Zo rond 1760 bereikte het Zuider Opgaande het zuidelijkste punt van het Hollandsche Grote Blok. Enkele jaren daarna waren de Ritmeestervenen bereikt, en was dit kolossale werk, dat dan zo'n dikke 50 jaar geduurd had, afgerond. Door gebrek aan groei of zelfs tegenvallen van de vraag naar turf was er minder behoefte aan het verlengen van de zijvaarten. Al met al verminderde zo ook de kans op werk in het naseizoen en in de winter. Minder werk = minder duiten. Doordat prijzen van levensonderhoud in de 2de helft van de 18de eeuw gingen stijgen, en de daglonen achterbleven daalde de koopkracht nog verder.

ONDERDAK

Er ontstond zo een grote groep arbeiders die maar amper rond kon komen: de "onmachtigen" uit de haardstedenregisters. De voor 1756 in het Hollandscheveld gebouwde woningen maakten veelal deel uit van kleine boerenplaatsjes. Als zulke boerenplaatsjes voor verkoop vrijkwamen was een onmachtige niet kredietwaardig genoeg om het geld ervoor te kunnen lenen. Wie onmachtig was, was in wezen afhankelijk van het onderdak dat zijn werkgever hem aan kon bieden, want geld om een nieuw bedrijfje te stichten, een boerderijtje in het Grote Blok te bouwen en grond te ontginnen, kon hij ook niet krijgen. Veel arbeiders waren dan ook afhankelijk van wat hun baas hen als onderdak aan kon bieden. In 1807 blijkt het gros van de na 1756 in het Grote Blok en op de noordkant van het opgaande in het Vierkante Blok gestichte woningen meierwoningen te zijn. De veenbazen hebben dus daadwerkelijk hun arbeiders zo voortgeholpen. De plaats waar die meierwoningen zouden komen lag voor de hand. Het Grote Blok was aan de beurt om gekoloniseerd te worden. Wonen in dit Grote Blok was onaantrekkelijk door het ontbreken van voorzieningen. Wie dan ook geld had, vestigde zich elders, nam een woning ten westen van Riegshoogte over of kocht daar één van de weinige nog beschikbare huisplaatsen om een nieuw bedrijfje te stichten. De veenbazen waren er zo zeker van dat ze de gronden van het Grote Blok nooit voor goed geld van de hand zouden kunnen doen. Het stichten van meierwoningen in het Grote Blok zou de anders onverkoopbare gronden toch nog een functie kunnen geven. De arbeider kreeg wat hij betalen kon. Als hij meer huur verwonen kon kreeg hij toestemming om achter zijn meierwoning een stuk grond te ontginnen. Had hij wat gespaard, dan kon hij daar een koe op weiden. Had hij voor zijn levensonderhoud iedere duit nodig, dan kreeg hij geen grond, geen koe, geen kans op verbetering. De onmachtigen waren zo met handen en voeten gebonden aan hun werkgever. Hij was hun werkbaas, hun huisbaas en vaak moesten ze ook nog van hem lenen. Als men de winter niet door kon komen werd namelijk nogal eens loon in voren uitbetaald, en moesten ze om een andere reden geld lenen, dan was er buiten de veenbaas vaak ook niemand die hen ter wille was. Ook ontstonden er meierwoningen door de faillissementen van veldelingen, waardoor hun woningen verkocht moesten worden. De sterke afhankelijkheid, de armoe, het gebrek aan vertier en de sfeer van onder lotgenoten te zijn - anderen dan arbeiders woonden er amper - creëerden rondom Riegshoogte en nog verder oostwaars een voedingsbodem waarin de ongenoegens welig konden tieren. Het Grote Blok werd het slachtoffer van een nog groter probleem: de oorzaak van alle ellende.

ACHTERLIGGENDE PROBLEMATIEK

Want waarom steeg de vraag naar turf niet verder en waarom stegen de kosten van levensonderhoud? De Gouden Eeuw lag in een ver verleden en de economie van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stagneerde. De Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) gaf de doodsteek aan de handel ter zee. De Republiek stond op de rand van de totale bankroet. Velen zagen de stadhouder, de prins van Oranje, als de oorzaak van dit alles en haalden de Fransen binnen. Maar onder hun leiding ging het nog slechter met de economie.

Echter ook op het Hoogeveen waren oorzaken aan te wijzen. Want waarom was het wonen in het Grote Blok dermate onaantrekkelijk dat men er de arme massa in wegstopte? Het beleid van de heren grootgrondbezitters van de Compagnie van de 5000 Morgen was voornamelijk gericht op de eigen winsten. Het bevorderen van de leefbaarheid van de velden had hun interesse niet, en ze zouden dit zelfs gaan tegenwerken. Waar bleef bijvoorbeeld de kerk die de bevolking van de velden beloofd was? De kerk van het Hoogeveen zou niet weer uitgebreid worden, was tussen het kerspelbestuur en het bestuur van Drenthe besproken, en men zou een kerk in de velden stichten als de kerk uit het dorp weer te klein zou worden. De heren waren dit soort uitspraken al lang weer "vergeten". En waar bleef goed onderwijs? Meester Pieter Steen en meester Dodevis stierven in de Franse Tijd. Ze hadden geen opvolgers en vanuit het dorp Hoogeveen werd geen enkele moeite gedaan om de jeugd van de velden te leren lezen, schrijven, en wat ze nog meer nodig hadden om tot enige ontwikkeling te komen.