Oudste geschiedenis van Nieuw-Moscou

 door ALBERT METSELAAR

De geschiedenis van Moscou kunnen we laten beginnen in het verre verleden, toen groepen jagers van de Homo Erectus of de Neanderthaler zich ophielden in de gebieden die we nu kennen als Drenthe en Overijssel. We kunnen ook wijzen op de veenroute langs het Riegmeer, waardoor mensen het veel later ontstane veengebied bezochten. Maar als we geschiedenis beschouwen als de beschreven weergave van menselijke activiteiten, moeten we dat allemaal onder de prehistorie laten vallen en hier buiten beschouwing laten. De geschreven bronnen brengen ons voor de eerste menselijke activiteiten naar het jaar 1637 na Christus. Dat is het jaar waarin de prehistorie van Moscou eindigt en de historie begint.

Onder leiding van Roelof van Echten, een Drentse edelman met aspiraties, was in 1631 de Compagnie van de 5000 Morgen opgericht. Het was een verveningscompagnie, waarin tal van geldschieters uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden samenwerkten. Hun elders verdiende geld werd zo belegd en de verwachte winsten door de turfwinning zorgden voor een flinke 'rente'. Onderlinge achterdocht deed een groep Amsterdamse heren besluiten hun aandelen weer te verkopen. Er ontstond een krachtige groep Leidse aandeelhouders, die wel verder wilden, maar alleen als afzonderlijke organisatie. Ze richtten op 1 maart 1635 te Leiden de Hollandsche Compagnie op, die een deel van de venen en ondergronden van de Compagnie van de 5000 Morgen zou gaan beheren. In 1637 tekende Steven van Broeckhuijsen een kaart van de venen en gronden die ze overgenomen hadden. Moscou ligt binnen hun gebied. Dat jaar wordt begonnen met de aanleg van greppels rond het gebied, om aan te geven waar de grenzen ervan lagen. Zo vinden we in 1637 de mens voor het eerst aan het werk bij Moscou, als hij spittend en wel een omtrekkende beweging om het gebied maakt.

Met het oude Moscou wordt vooral de zuidpunt van het Zuideropgaande bedoeld. We kunnen dan ook gerust stellen, dat het Moscou zoals we dat nu kennen pas is ontstaan op het moment dat het Zuideropgaande zijn zuidpunt bereikte. Plannen voor het aanleggen van een Zuider Opgaande waren er al vroeg. Op verschillende kaarten uit de periode 1670-1680 vinden we het Zuideropgaande al ingetekend. Het betrof voorstellen over hoe de zaak aan te pakken. Landmeter Jan Carsten kreeg de opdracht tot het maken van een verdelingsplan van de Hollandse venen rondom het huidige Hollandscheveldse Opgaande en het Zuideropgaande, en gaf daarbij tevens aan waar laatstgenoemde opgaande zou moeten komen te liggen. Op de vergadering van de Hollandsche Compagnie van 22 mei 1679 te Hoogeveen werden zijn voorstellen aanvaard. Daarmee was het Zuideropgaande nog lang geen feit. Op de 26e en 27e oktober 1714 kwamen de Hollandse participanten bij elkaar in de herberg De Munt te Amsterdam. Er werd een werkschema opgesteld volgens welk het Zuideropgaande gegraven zou worden.

In de periode 1714-1724 werd een vaart gegraven vanaf wat we nu kennen als Het Hoekje tot ongeveer 80 meter ten noorden van de Oostwijk. In die zelfde tien jaar zouden participanten tevens het aansluitende stuk opgaande graven van de Oostwijk tot ongeveer 80 meter ten noorden van de Jufferswijk. Men was dus op twee plaatsen tegelijk aan het graven. In de periode 1724-1732 werd langs de Jufferswijk gegraven en ontstond een opgaande tot half tussen de Bakkerswijk en de Calkoenswijk. In de jaren 1732-1740 groef men verder tot half tussen de Carstenswijk en de Langewijk., om in de periode 1740-1750 het stuk tot half tussen Brandligtswijk en Jeulenwijk door te trekken. Het werkschema voorzag in afronding van het werk van de Hollandsche Compagnie in 1760, omdat op dat moment het Zuideropgaande klaar moest zijn tot ongeveer 80 meter ten zuiden van de Groot Hendrikswijk. Volgens dit schema werd de huidige Barsweg, vroeger Barswijk, omstreeks 1757 gepasseerd, en werd vanaf toen gegraven in het gebied dat nu Nieuw-Moscou heet. Alles wijst erop dat het schema trouw is afgerond in de daarvoor vastgestelde perioden. Dat houdt dus onder meer in dat de bevolking van Nieuw-Moscou in 2007 het 250 jarig bestaan kan gaan vieren, omdat het dan 250 jaar geleden is dat de mens aldaar de boel op de schop nam, en zijn aanwezigheid permanent werd! Het laatste stuk van het Zuideropgaande lag in de 18e eeuw in het gebied van de Adellijke- of Echtens Compagnie, het bezit van de samenwerkende erfgenamen van het geslacht Van Echten. Deze mensen lieten in de periode 1760-1770 het werk aan het Zuideropgaande afronden, waarmee de huidige zuidpunt van het Zuideropgaande werd bereikt. Oorspronkelijk was het de bedoeling om daarna nog verder te gaan, maar doordat grote delen van de venen afgestaan moesten worden aan Overijssel is het daar niet van gekomen.

De geschiedenis van Moscou is sterk bepaald door de strijd om de zuidgrens van Drenthe en hoe die in het nadeel van Hoogeveen uitviel. Toen in 1637 de greppels om het gebied van de Hollandsche Compagnie werden gegraven, lag de aangegeven zuidgrens honderden meters ten zuiden van de uiterste zuidpunt van de gemeente Hoogeveen en liep recht naar het oosten. Jan Crul, schulte van Hardenberg, kreeg de 10e augustus 1637 verlof om de arbeiders aan de greppel met de sterke arm te dwingen hun werk te staken. Onderschulte Veldman werd erop af gestuurd. De staten van Drenthe kregen te horen dat ze Overijssels grondgebied zouden moeten eerbiedigen. Echtens-Hoogeveen werd echter sterk door de Drentse staten gesteund. Al op de 31e augustus 1637 kwam van hen het bericht dat de arbeiders gewoon door konden graven. Volgens hen zou de zuidgrens van Drenthe, Hoogeveen, nog veel zuidelijker liggen dan waar men toen al aan het graven was. Pas op 24 maart 1648 werd er een voorlopige grens in het gebied vastgesteld, en wel zoals deze in 1637 afgegreppeld was. De eigenaren van de Hollandsche Compagnie wilden geen risico lopen. Ze dwongen de toenmalige Heer van Echten tot een gebiedsruil, waardoor de Hollandsche Compagnie een noordelijker complex kreeg en de familie Van Echten de omstreden zuidelijke venen. Zo kwam het gebied waar zo’n 100 jaar later de zuidpunt van het Zuideropgaande uitgegraven zou worden, het oorspronkelijke Moscou, buiten het Hollandsche Veld te liggen, in wat men het Ritmeestersveld noemde, naar een Van Echten die ritmeesters. Deze ritmeester kon zijn financiele verplichtingen ten aanzien van de Algemene Compagnie van 5000 Morgen niet nakomen. Na een reeks van twisten met zijn erfgenamen werd het Ritmeestersveld in 1693 algemeen bezit van alle participanten van de hele Algemene Compagnie. Deze verdeelden het in 1746 onder alle kleine compagnieën die toentertijd bestonden en het gebied raakte totaal versnipperd. Maar dat maakte niet veel uit. Uiteindelijk zou het namelijk grotendeels verloren gaan.

In het voorjaar van 1776 begon het conflict voor de zoveelste keer op te lopen, doordat de boeren uit Lutten en Ane boekweitenland inzaaiden en verkochten in het gebied dat de Drenthen al vanaf 1637 had toebehoord. De mensen uit Overijssel tekenden trouwens kaarten waarop de zuidgrens van Drenthe zo hoog lag, dat heel Moscou en Elim aan hen toeviel. De grenskwestie bleef onrust veroorzaken en alle pogingen om deze te regelen waren voorlopig nog tevergeefs. Het geschil leek uiteindelijk een ware oorlog te worden. Op 29 augustus 1790 zouden mensen uit Overijssel een strooptocht houden op de akkers van de Hoogeveners, rond waar nu Moscou en Elim ligt, zou vernam men bij geruchte. Dat was op een zondag. Er werd een waar leger van zo’n 100 bewoners van Hoogeveen en de omliggende velden op de been gebracht, allemaal eigenaren van venen in het bedreigde gebied. Maar ze kwamen te laat. Een groep van 40 man en vier wagens, onder leiding van de schulte of de onder-schulte van hardenberg, had de rijpe boekweitenvelden inmiddels al kaalgemaaid. We mogen achteraf van geluk spreken dat beide groepen elkaar misliepen, want de gemoederen waren zeer hoog opgelopen. Dat beseften blijkbaar ook de hogere overheden en er moest nu echt wat definitiefs gebeuren. De zaak werd voorgelegd aan het Hof van Utrecht. Het eindrapport kwam 27 maart 1792 gereed, en hield in dat grote delen van het zuiden van de gemeente Hoogeveen voor Drenthe en Hoogeveen verloren gingen. Dit is van groot belang geweest voor het huidige Moscou. Als Drenthe de zaak had gewonnen, dan was Moscou nu geen uithoek van de gemeente Hoogeveen geweest, maar een doorgangsgebied, zoals nu ook de noordelijker delen van het Zuideropgaande zijn. In dat geval had het mogelijk nooit zo gauw een eigen naam gekregen, vanwege de onopvallendheid van dit stukje van het grote Hollandsche Veld. Maar het gebied zou dan mogelijk wel eerder een centrumfunctie hebben kunnen ontwikkelen, zodat het vierde dorp van de gemeente Hoogeveen veel eerder van de grond had kunnen komen!

De eerste bewoners van Moscou waren seizoenarbeiders, die hier alleen in de zomer verbleven, in hutten op de rand van het af te graven veen en het al leeg gegraven veld van heide en berken. De seizoenarbeiders kwamen veelal uit Duitsland. Na de seizoenarbeiders kwamen de vaste bewoners. De eerste vaste bewoners van het gebied ten zuiden van de Barsweg (toentertijd Barswijk) waren Hendrik Pieters Duinkerken en zijn vrouw. Hendrik werd 28-11-1744 te Wanneperveen gedoopt als zoon van Peter Hendriks Duinkerken en en Hendrikje Peters. Hij trouwde met Leentje Hendriks Vos, de dochter van Hendrik Roelofs Vos en Grietje Harmens. In 1779 kochten Hendrik Pieters Duinkerken en zijn vrouw voor f 500,-,- grond voor een plaatsje, een boerenbedrijfje, van vervener Jan Arents Hartman, op de Vierde Wijk van Schoonhovens Tweede Blok. De wijken van het Hollandsche Veld heetten oorspronkelijk naar de Hollandse participanten of een compagnie en vaak werd er tevens een nummer aan gegeven. De meeste wijken kregen in de loop der jaren een andere naam, afgeleid van een vervener en grootgrondbezitter of iemand die voorop een wijk woonde. De wijk waar Hendrik Pieters Duinkerken kwam te wonen zou zijn (bij)naam gaan dragen: Groot Hendrikswijk. Groot Hendrik was sponturfmaker en had als zodanig een eigen vervenerijtje. In 1807 werden alle woningen en stukken grond in Hoogeveen en omstreken beschreven. Op dat moment stonden er twee woningen ten zuiden van de Barsweg, beide aan de Groot Hendrikswijk. Op de noordkant van de Groot Hendrikswijk en op de oostkant van het Zuideropgaande woonde Geert Stoffers Oelen. Op de westkant van het Zuideropgaande, maar wel weer op de noordkant van de Groot Hendrikswijk, woonde Groote Hendrik zelf. Hij had daar een tapperij. De eerste woning noordelijker stond pas aan de Brandligtswijk.

In de loop van vele jaren groeide er rond de zuidpunt van het Zuideropgaande een gemeenschap, doordat er mondjesmaat woningen werden gebouwd en gezinnen werden gesticht. De bevolking bestond vooral uit mensen met een eigen bedrijfje. Al stonden ze als arbeider op papier, ze hadden vaak koeien en wat land erbij, zodat ze over het algemeen redelijk rond konden komen. De armere arbeiders, die geen vee hadden en daardoor in de winter vaak zonder inkomsten zaten, woonden meer achteraf, op de wijken rond Elim. Maar de naam Elim kende men nog niet in die tijd (dat was Hollandscheveld Zuid-Oost), net zo min als men de naam Moscou kende. Men sprak van Hollandscheveld-Zuid, of had het gewoon over het Zuideropgaande, waarbij men dan ook de bevolking van het gebied tot aan het Jan Wintersdijkje erbij in betrok. De naam Moscou is ontstaan in de tweede helft van de 19e eeuw. De Hoogeveense schrijver Jan van der Veen Azn. schreef het boek " ‘t Een en ander van de gemeente Hoogeveen", dat in 1873 verscheen. Van der Veen was zeer geïnteresseerd in alle mogelijke wetenswaardigheden en opvallende namen. Hij noemde wel Siberië, dat volgens hem zo werd genoemd omdat het vroeger een zeer afgelegen, dor en woest oord was, maar nergens in zijn boek de naam Moscou! We moeten hieruit concluderen dat de naam in die jaren nog niet algemeen werd gebruikt. De naam Moscou moet men namelijk op soortgelijke wijze verklaren. Men bedoelde hiermee dat de streek erg ver weg was, en zal daarmee tevens hebben willen aan-geven dat het er niet goed toeven was. Het ‘dor en woest’ van Siberië klinkt erin door. Dit is een naam die mensen hun eigen streek niet gauw zullen geven. Moscou moet zijn naam hebben gekregen door mensen voor wie de streek ver weg was, door de Hoogeveners dus. In dat geval moet Jan van der Veen de naam hebben gekend, als deze toen al volop werd gebruikt. Bij het ontstaan van deze naam zullen tal van internationale verwikkelingen een rol hebben gespeeld. Een streek net over de grens met Overijssel werd in die priode ‘De Krim’ genoemd. Waarschijnlijk hebben zowel Moscou als De Krim hun naam te danken aan de in de jaren 1854-1856 tussen de gezamenlijke westelijke mogendheden en Rusland (Moscou!) uitgevochten Krimoorlog.

Tegen het eind van de 19e eeuw stond er helemaal achterop het Zuideropgaande, net voor het opgaande zelf aan wat men wel het Ritmeestersdwarsgat noemde, een woning met een naambordje. Met grote letters las men ‘Moscou’ op de woning. Sinds die periode werd de naam algemener, al bedoeld men aanvankelijk vooral de uiterste zuidpunt van het opgaande, als men het over Moscou had. Een gemeentelijk adresboek uit het begin van de Tweede Wereldoorlog telt onder Moscou maar zes woningen, staand rond het eindpunt van het Zuideropgaande en in het Ritmeestersveld. Daarin woonden de volgende gezindshoofden: 1. Frederik Fieten, 2. Jan Post, 3. J.Uiterwijk Winkel, 4. Jan Koops, 5. Meeuwes Martens en Jantienes Deuten en 6. Jan Tibben, Arend Engels en Gerritdina Altena. Alle andere mensen in het gebied ten zuiden van de Barsweg stonden in het adresboek ingeschreven onder de naam van de wijk waarop ze woonden. Ondanks dat woningen aan het Zuideropgaande stonden, viel het pand zelf onder de naam van de wijk. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Moscou als begrip steeds breder, vooral door de activiteiten van de in de vijftiger jaren opgerichte vereniging Plaatselijk Belang. Nieuw-Moscou is een nog jonger begrip.

De oudere streekbewoner spreekt nog gewoon van Moscou, als hij of zij het al niet uitspreekt als ‘Muskou’. De streektaal van Moscou is trouwens een variant van het Nedersaksisch, zoals dat gesproken wordt van Groningen tot op de Veluwe. De plaatselijke variant, ook gesproken in Hollandscheveld en Elim, heeft grote overeenkomsten met het Overijssels, maar is in Drenthe zelf achter Hoogeveen al zo veranderd dat het daar over is gegaan in andere varianten.