Cilie de Nevelheks

Op 24 augustus 1993 werd bij de kerk aan de Hendrik Raakweg het beeldje CILIE, nevelhekse onthuld.  Het beeld werd gemaakt door Alice Top uit Hoogeveen.  Wethouder Arend ten Oever onthulde het beeldje indertijd. Medewerking werd o.a. verleend door het Chr. Mannenkoor Hollandscheveld die een speciaal lied zongen. Bij het beeld staat een gedicht, geschreven door Bertus ten Caat.

Hoogeveener Arend Victorie schreef een liedtekst die door No Name werd opgenomen en uitgevoerd. Hier een opname van het lied, gemaakt in de Tamboer in Hoogeveen, op 22 maart 2008 :
 

 

HET WARE, MAAR O ZO VERDRIETIGE VERHAAL VAN  CILIE DE COSSE, BIJGENAAMD NEVELHEKSE EN JONKER ALLARD, ZOALS DIT TOT ONS KWAM VIA ALBERT STEENBERGEN  (BEWERKING: ALBERT METSELAAR)

Het ware, maar o zo verdrietige verhaal van Cilie de Cosse, speelt zich voornamelijk af in het Hollandsche Veld, in de jaren 1699/1706. Vanaf 1630 is op de rand van het hoogveen een dorpje ontstaan, dat nu ongeveer 1800 inwoners heeft. De metselaars hebben het dorp een heel ander aanzien gegeven dan de omringende dorpen, doordat er tal van stenen woningen zijn verrezen. Het is een dorp met stadsallures geworden. De tamboer trommelt op de zondagen de mensen naar de kerk. De dominee is benoemd door de Heer van Echten. Deze leidt ook de grootste verveningmaatschappij de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. De kerk, de schulten, de rentmeesters en tal van andere personen en instanties houden dikke boekhoudingen bij, waarin de geschiedenis van het dorp wordt vastgelegd. Wie heeft ooit kunnen vermoeden dat zo ook een drama als dat van Cilie beetje bij beetje aan het papier toevertrouwd zou worden.

Bij Het Haagje, in het hart van het dorp Hoogeveen, woont Petrus Calkoen, de zoon van Arent Calkoen. Net als zijn vader heeft hij rechten gestudeerd en is advocaat geworden. Ook zijn voorliefde voor het beschrijven van het algemeen dagelijks leven heeft Petrus van zijn vader meegekregen. Vader is ooit een dagboek begonnen Petrus heeft dat werk vanaf 1680 voortgezet. Het is dit dagboek, de ´Clapper der Calkoens´, waarin het verhaal van de Nevelhekse wordt bewaard. In 1706, het jaar waarin Cilie, bijgenaamd ´Nevelhekse´, plotseling verdwijnt, is Dr.Petrus Calkoen een eerbiedwaardige rentmeester, die regelmatig met zijn plaatsgenoten recente gebeurtenissen bespreken gaat. Hij is dan ook als geen ander op de hoogte van wat er in en rond het dorp gebeurt. Als rentmeester bewoont hij het statige pand van de Hollandsche Compagnie. Tal van Hollandse families hebben hun spaarduiten aan hem toevertrouwd. Het rentmeesterschap vereist betrouwbaarheid en nauwkeurigheid.

In die dagen zit ver weg, in het verre Holland, een jongeman in een donker hoekje weg te kwijnen. Hij is een telg uit een vooraanstaande adellijke familie. Zijn voorouders waren mensen van aanzien, zoals wel blijkt uit de vele schilderijen die nog van hen in de ouderlijke woning hangen. In tegenstelling tot zijn voorouders heeft de jongeman, Allard, geen rechten gestudeerd, maar medicijnen. Hij is twee jaar geleden gepromoveerd. Sindsdien heeft hij nooit gebrek aan patiënten gehad. Maar het vak ligt hem niet. Hij besluit er mee te stopen. Gelukkig hoeft hij het om het geld niet meer te doen, want hij heeft onlangs een vermogen geërfd De kringen waarin hij moet verkeren vragen zoveel offers van zijn waarheidsliefde, dat hij zich steeds ongelukkiger is gaan voelen. Vroeger was hij een jongeman met vrolijke humor, binnen de perken van de zedelijkheid, met een dichterlijke geest en een godvruchtige levenswandel. Wat is er van die jongeman overgebleven? Nog meer dan van de geneeskunde heeft hij vroeger van de natuur gehouden. Allard besluit naar Hoogeveen te gaan. Daar woont familie. Het zijn de Bentincks, eveneens van adel, die daar uitgestrekte venen bezitten. Misschien dat de uitgebluste jongeman daar zijn draai weer zal kunnen vinden. Misschien dat hij daar kan besluiten hoe het verder met hem moet. Misschien dat daar de levenslust weer tot leven gewekt zal kunnen worden.

Het vertrek naar Hoogeveen gaat gepaard met moeilijkheden met zijn ouders, die teleurgesteld zijn in zijn keuzes. In Hoogeveen aangekomen krijgt hij een warm onthaal. Zelden is iemand zo welkom geweest als Allard bij de Bentincks. Zijn beide nichten, die freules Alida en Coosje, zijn min of meer verliefd op hem, zo wordt er gefluisterd. En dat nog wel terwijl ze weten dat hij kort na zijn geboorte al toegezegd werd aan een dochter van een vriendin van moeder Bentinck! Allard weet hoe een heer zich gedragen moet. De toenaderingspogingen van de gezusters Bentinck zijn tevergeefs. Maar ze brengen hem wel een paar leuke weken.

Het Hollandsche Veld levert volop turf en boekweit. De turf wordt afgevoerd door het Hollandscheveldse Opgaande en de Hoogeveensche Vaart, in kleine houten pramen. De velden zijn doorsneden met waterwegen, geflankeerd door smalle zandpaden. Over het water liggen vonders. Het gebied kent verder enkele dijkjes, die veelal slecht begaanbaar zijn. In de velden en woeste venen die samen het Hollandsche Veld vormen, staan tal van hutten. Ze worden voornamelijk bewoond door seizoenarbeiders, in de korte tijd dat ze hier in de turfgraverijen aan het werk zijn. Heide, moeras, bomen, struiken, bloemen, vogels, vissen en meren vormen samen een lustoord, waar de natuurliefhebber zich onmiddellijk thuis voelt. De seizoenarbeiders, zoals Marrije en haar familie, hebben hier amper oog voor. Later ontstaan in en rond dit uitgestrekte gebied de dorpskernen van Noordscheschut, Hollandscheveld, Elim en Nieuwlande. De bevolking is erg bijgelovig. Zo zijn er dorpelingen die weten te vertellen over dwaallichtjes. Men zegt dat men, bij het overnachten in de open lucht in het veen, van het leven beroofd zal worden door reuzen, geesten en bebaarde duivels. Er wordt zoveel in het dorp over de velden gezegd. Vooral onder de borrel.

Het Zuideropgaande is nog niet gegraven. Wel loopt er vanuit het Hollandscheveldse Opgaande een brede sloot zuidwaarts, langs wat later het Tramdijkje zal gaan heten, naar het Riegmeer. In 1699 heeft jonker Swaap, de beheerder van de Hoogeveensche Vaart, in die sloot een schut laten timmeren. Dit om het water van het meer op te kunnen stuwen en naar believen in het vaartenstelsel te laten stromen. Bij dit schut verrees een flinke woning. De schutmeester, een zekere Jansen, wordt meestal De Stroeve genoemd. Het volk vreest hem. Hij is moeilijk in de omgang en men mijdt hem om zijn brutaliteiten. Men zegt dat hij aan Zwarte Kunst doet. De boeren van Zuidwolde haten hem omdat hij het water zo hoog opstuwt, dat het meer bevaarbaar geworden is en de mensen in het gebied van Zuidwolde bijna verzuipen.

De Stroeve en zijn oude huishoudster waken over zijn pleegdochter Cilie. Over haar afkomst wordt geheimzinnig gedaan. Volgens ingewijden is Jansen, De Stroeve, ooit slavendrijver geweest. Dat was op een plantage in Suriname. Hanno, een slaaf uit Arabie, had een kind verwekt bij de vrouw van zijn meester, nadat deze Hanno´s vrouw onteerd had. Na negen maanden beviel de meesteres van een dochter. Op het kraambed, haar sterfbed, vertelde de meesteres wat er was gebeurd. De meester wilde het kind laten verhongeren. De vrouw van De Stroeve was als vroedvrouw bij de bevalling betrokken. Ze zei dat het kind was gestorven. Volgens de verhalen voedden ze het kind samen op. Als het verhaal tenminste klopt. Niemand heeft de vrouw van De Stroeve gekend. Ze zal wel jong overleden zijn. Wie zal het zeggen? Niemand heeft de moed om het te vragen……….

Tot grote verwondering van de veldbewoners, de schippers en de sporadische visite, zingt Cilie met haar mooie stem de prachtigste liedjes. Maar soms komen de woorden uit een onverstaanbare taal. Daarbij komt ook nog dat ze een getinte huid heeft en met een vreemd accent spreekt. Alles wijst erop dat ze een heks is, wordt er gezegd. Anderen zeggen weer dat de veldbewoners overal heksen en spoken zien. Een paar lappen in een boom, en de mensen hebben al weer wat te vertellen. Het volk uit de velden is een bij elkaar geraapt zooitje, dat maar wat bij elkaar hokt, amper of nooit in de kerk komt, en te dom is om de dominee te begrijpen, zo zegt men in het ´beschaafde´ dorp.

Enkele jongeren, waaronder twee Hoogeveense studenten, brengen hun vakantie door in Hoogeveen. Ze organiseren een vispartij. Met hengels en teutebellen varen ze in een punter naar het meer bij Alberts Holtien. Allard gaat mee, in de hoop zijn herbarium of insectendoos te kunnen verrijken. Hij dwaalt al snel af. Hij ziet in de verte het Riegmeer blinken en tracht dit te bereiken via een door kreupelhout omzoomd dijkje. Hij hoort niet en verstaat niet hoe enkele vrouwen hem onderweg beschimpen. Het enige wat hij hoort is een prachtige zangstem. De reine en zuivere stem van een jong meisje lokt hem verder en verder, tot hij achter de woning van De Stroeve met ingehouden adem blijft staan luisteren………

Het water van het Riegmeer is zover opgestuwd, dat het meer buiten de oevers getreden is. Allard staat op het punt om langs het water naar de woning van De Stroeve te lopen, als het gezang wordt verstoord door een vreselijk geschreeuw. Eén van de vrouwen die hem uitgescholden heeft, is gebeten door een adder. Allard rent er naar toe. In zijn studietijd heeft Allard in Leiden les gehad in de modernste geneeswijzen. Dat hij deze hier ook nog eens zou moeten gebruiken, dat heeft hij niet verwacht. Hij pakt zijn pennemesje, opent de wond en bindt de ledemaat af met zijn zakdoek, precies zoals zijn professor hem jaren geleden voordeed. Alleen was het toen in een schone omgeving, tussen de naslagwerken en wat een geleerde heer zoal meer om zich heen verzamelt, en zit hij nu gehurkt tussen de bentepollen, heide en alle mogelijke struiken.

De verdere dag doet hij niet veel anders dan zijn vrienden en de freules Bentinck uithoren over alles wat hij maar weten wil van het wonderschone meisje, dat vanwege haar neiging om in de ochtend- en avondschemering de velden in te trekken wel ´Nevelhekse´ wordt genoemd. Hij blijft er zo uitgebreid over doorpraten, dat zijn omgeving zich afvraagt of hij niet ´betjoend´ is door haar gezang. Ze lijkt hem helemaal in de macht te hebben. Dit tot grote onvrede van de dames Bentinck. Allard zelf is van mening dat zijn verlangen om het meisje te ontmoeten voortkomt uit een goddelijke ingeving. Hoe dan ook, hij is helemaal vol van wat hij heeft gehoord en vertelt onderduit over haar prachtige stem. Maar ook zijn patiënte vergeet hij niet. Goed gekleed voor de tocht door het ruige veld, brengt hij de dag erop een bezoek aan het krot waarin Marrije en haar moeder hun dagen slijten. Marrije braakt nog steeds, heeft hoofdpijn en klaagt over een opgezette keel. Maar nog meer zorgen kan Allard zich maken over haar moeder. Marrije ligt op haar knieën te huilen als deze losbarst…….

Door emoties overmand krijst ze vanaf haar met vodden bedekte bed. Als Marrije mocht komen te sterven, zo gilt ze, dan is ze er zeker van dat die Nevelhekse haar zal volgen! Haar gezang heeft zowel Marrije als de adder behekst! Wat Allard ook doet, hij kan dit de oude vrouw niet uit haar simpele hoofd praten. Wat moet hij doen? uiteindelijk kiest hij er voor om De Stroeve te waarschuwen voor wat er kan gebeuren als Marrije er niet bovenop komt. Helaas is de man niet thuis. Als hij om het schuthuis heen loopt, ontdekt hij Cilie. Ze lijkt te zweven tussen de bosjes rond de woning. Of is het alleen maar zijn verliefdheid, die zijn wereld doet veranderen? Als Cilie bij een braamstruik gaat zitten, loopt hij voorzichtig in haar richting en verrast haar met zijn aanwezigheid. In het begin is ze zeer teruggetrokken. Zijn geruststellende en bemoedigende woorden laten haar angsten smelten, tot ze zelfs zover komt, dat ze enkele van haar mooiste liederen voor hem zingt. Haar onschuld en puurheid doen in Allard trouwplannen rijpen……….

Hoe zullen zijn ouders reageren, als hij met zo’n Spaans Heidinnetje thuis zal komen? Zijn moeder ziet hem al getrouwd met de lieftallige freule Elisabeth Dubois. Vóór zijn vertrek naar Hoogeveen heeft hij nog afscheid van Elisabeth genomen, in aanwezigheid van zijn en haar moeder. Op de terugweg naar huis heeft hij zijn moeder beloofd Elisabeth het hof te zullen maken. Maar als hij met haar trouwt, moet hij zijn leven lang in het door hem zo verfoeide Den Haag doorbrengen. Hij moet een leven leiden dat voor hem niets, maar dan ook niets aantrekkelijks heeft, en waar hij op den duur van zal walgen. Het verward Allard. Hij kiest ervoor zijn liefde voor Cilie te onderdrukken. Hij weet niet dat inmiddels ook háár jonge hart in vlam staat. Die avond is Allard nog steeds in de velden. Jansen, De Stroeve vertelt hem over zijn verblijf in Suriname en hoe hij en zijn vrouw Cilie hebben gered. Hij hapert nogal eens en spreekt zichzelf tegen. Zijn verhaal strookt ook niet met wat Cilie die middag zélf verteld heeft. Volgens Cilie is ze de dochter van een Franse edelman. Ze is deels opgevoed door een tante. Hoewel ze Rooms is, mag ze zich van haar pleegvader niet met het geloof bezig houden. Een bijbel heeft ze niet. Allard zal er dus een meenemen, als hij weer terug is uit Den Haag. Hij haalt de honden aan en luistert in het halfdonker naar De Stroeve. Hij denkt het zijne van alles wat hem voor waar wordt verteld. Een volle maan begeleidt hem naar het tussen spiegelende vaarten gelegen dorp.

Een visioen weerhoudt Allard ervan om weer contact te zoeken met Cilie. Als hij enige tijd daarna langs de kerk en het kerkhof loopt, is de koster net bezig met het graven van een graf. Tot zijn grote schrik wordt hem door de man verteld dat het graf bestemd is voor Marrije. Ze is dood! Zij zal die morgen worden begraven…… Allard blijft in de buurt. Van op een afstandje hoort hij ds.Curtenius een grafrede uitspreken. Daarvoor heeft een eenvoudig man uit de velden al een rede gehouden aan haar sterfbed. Beiden zwiepen het volk op in hun strijd tegen het boze. De mensen willen rechtvaardigheid. Marrije stierf onder een vloek van een heks en de heks zal moeten boeten, zo fluisteren de mensen op weg naar huis.

Een paar dagen later ondergaat Cilie haar lot. Ze wordt uitgescholden, geslagen en bijna door Marrije´s moeder gewurgd. Ze schreeuwt om hulp, maar op wie kan ze rekenen? Ze is te ver van het schuthuis afgedwaald om door haar pleegvader gehoord te worden. Van de veldbewoners hoeft ze niets te verwachten. Uiteindelijk zakt ze door haar knieën, waarna Marrije´s moeder haar werk afmaakt. Het oude mens staat er handenwrijvend bij, als de golven van het Riegmeer Cilie verzwelgen. Ze wordt er in geworpen op het moment dat Allard uit de struiken tevoorschijn komt. Een witte duif – of is het een Goddelijk visioen geweest? – heeft hem gelokt. Hij springt Cilie na. Na enkele vergeefse pogingen om haar te grijpen, lukt het hem om haar te redden van de verdrinkingsdood…….

Allard en Cilie zien elkaar nu dagelijks, om in alle eer en deugd met elkaar te verkeren. Want hij is een vrome en godvrezende jongeman, die geen enkele andere bedoeling heeft dan haar eenmaal als zijn vrouw aan zijn hart te drukken. Hij heeft Elisabeth Dubois uit zijn gedachten gebannen. Allard is er van overtuigd dat Cilie´s eigen levensverhaal moet kloppen. Ze is een kind uit een adellijk huis. De bewijzen daarvan hoopt hij eenmaal aan zijn vader en moeder te kunnen geven, zodat ook die met een huwelijk in kunnen stemmen. Cilie spreekt over een oom in Amsterdam, een broer van haar vader. Ze wil Allard nog niet aan zijn onderzoek laten beginnen, want dan zal ze zijn aanwezigheid moeten missen. Zo kan het gebeuren dat Freule Alida Bentinck de tijd heeft om een brief aan Allards ouders te richten. Ze voelt zich door Allard afgewezen en neemt wraak. Ze beschuldigt Cilie van hekserij en hoererij. Zo wil die Nevelhekse de schone jongeling aan zich binden, zo schrijft ze aan Allards ouders.

De brief wekt bij Allards ouders grote verontwaardiging op. `Die Jongen zal onmiddellijk terug moeten komen´, roept zijn moeder uit. ´Hiér is zijn plaats!´. Zijn vader kan niet anders dan dit beamen en het duurt niet lang of Allard ontvangt een brief uit Den Haag. Daarin staat onder meer dat zijn liefhebbende moeder ziek is geworden door alles wat ze heeft moeten doormaken. Allard wordt vriendelijk doch dringend verzocht zo snel mogelijk naar huis te komen. Deze neemt afscheid van een betraande Cilie, met de belofte snel terug te zullen keren en te zullen schrijven. Zijn brieven zullen haar nooit bereiken. De Stroeve houdt ze achter. Men vertelt Cilie dat Allard naar zijn vroegere geliefde is teruggekeerd. Cilie is ten einde raad. Haar onrust wordt zo groot, dat ze het zelfs aandurft om bij de Bentincks naar haar geliefde te informeren. Ze weet dat de freules haar haten als de pest, maar ze ziet geen andere weg. Onder de vreselijkste verwensingen wordt ze door de Freules en hun dienaren uit hun trotse landhuis gejaagd. Die hoer, die Nevelhekse, hoe durft ze!

Cilie wordt die avond naar huis gebracht door meester Arnoldus van Xanten. Hij heeft haar van de weg opgeraapt en liet door zijn vrouw en zijn dochter haar wonden verzorgen, waarna hij haar in een punter naar haar woning heeft gevaren. Ze wordt direct op bed gelegd. Wat de meester te vertellen heeft, is bijna te erg om waar te zijn. Op weg naar huis was Cilie bij de laatste schamele huisjes in Het Haagje uitgescholden door een stel jongens. Ze liep in de haast een kind om, dat verschrikkelijk begon te huilen. Troosten had geen enkel effect. De moeder kwam naar buiten rennen, riep dat haar kind nu ook behekst werd, een krijsende massa trachtte Cilie te stenigen en ze viel bloedend op de grond.

Cilie´s wonden helen snel, maar haar geest is gebroken. Dagenlang zegt ze niets zit ze peinzend voor zich uit te staren. In de vierde nacht na haar terugkeer begint ze te mompelen. De huishoudster is de enige met wie ze contact maakt. Van haar pleegvader moet ze niets hebben. Overdag zit ze uren aaneen met het hoofd in de handen in het vuur te staren. Tegen de avond krijgt ze buien van waanzinnige woestheid, waarin haar woede zich vooral richt op De Stroeve. Ze is dan alleen nog maar met geweld binnenshuis te houden. Op een nacht wordt De Stroeve wakker, door een geluid van een waterval. Het schut staat open. Het water stort zich met een donderend geraas in de brede sloot, die al snel overstroomt.

Cilie is verdwenen. Ze heeft het schuthuis in weer en wind verlaten, in haar nachtkleding. De Stroeve vervalt in driftbuiten, overgaand in gewetenswroegingen. Drie dagen na de vreselijke nacht meldt hij zich bij de Banner-Schulte van het Beiler Dingspil. Hij bekent een drievoudige moord. Zijn echte naam is Martin Balringe. Hij is slavendrijver geweest op de Surinaamse plantage ´Mon Désir´. Daar werd Cilie geboren, als dochter van zijn meester, de markies De Cosse, en de vroeg overleden Hollandse erfdochter Bertha Wilhelmi. Martin lokte een opstand uit, doodde de markies en vertrouwde Cilie toe aan een tante. Deze vroeg kort voor haar dood het meisje naar Nederland te brengen, naar haar familie in Amsterdam. Martin ging rechtstreeks naar het Hollandsche Veld, geld en juwelen met zich meenemend. Hij maakte na al deze bekentenissen in gevangenschap een eind aan zijn door wroeging getekende leven.

Jonker Allard komt drie dagen na Cilie´s verdwijnen naar Hoogeveen. Vergeefs doorkruist hij de velden, in de hoop dat Cilie zich ergens verschuilt. Op zoek naar haar lijk laat hij in alle plassen vissen. Ze wordt niet gevonden. Allard legt zijn oor te luister bij de bevolking. Heeft iemand haar na de fatale nacht nog gezien? Heeft iemand enig idee wat er gebeurd kan zijn? Er blijven volop vragen. Is Cilie door haar eigen hand gestorven? Was het de wraak van Marrije´s moeder? Hebben de in het veel te hoge water van het Riegmeer verzuipende boeren van Zuidwolde het recht in eigen hand genomen, en werd Cilie daarvan het slachtoffer? Is ze trouwens wel dood? Kan ze ook niet ergens anders een nieuw leven hebben opgebouwd, verlost van haar ontvoerder, Martin Balringe alias De Stroeve? Maar hoe kan zo´n jonge vrouw helemaal alleen in de wereld een nieuwe plaats vinden? Waarom is die Martin Balringe trouwens met haar naar het Hollandsche Veld gekomen? Zo bekend was deze uithoek van Nederland nu ook weer niet! Wat is er waar van de geruchten dat hij een bastaardzoon zou zijn geweest van een Van Echten, een hoofddirecteur van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen en heet van Echtens-Hoogeveen en het adellijke Huis te Echten? Wie zou Martin het mes hebben gegeven, waarmee hij zichzelf van kant heeft gemaakt? Wie was de aardige huishoudster, waar Martin Balringe zolang mee heeft geleefd? Was ze wel zijn huishoudster, hoe zag hun ´leven´ er uit, wat wist ze nog meer van Martin te vertellen, maar waarom weet niemand wat er van haar geworden is? Wie weet er meer en wie heeft er wat te verbergen? Wie eigenlijk niet?

En zo roddelt iedereen gewoon door. Alsof er niets gebeurd is. Alsof er nooit een Cilie is geweest, en alsof niemand beseft dat het door deze roddels en fantasieën is gekomen dat een ontvoerder een scherm van geheimzinnigheid om zich heen kon trekken en in stand kon houden, waar niemand doorheen durfde te prikken, maar dat hem jarenlang in veiligheid in de velden kon laten wonen. Alsof niemand beseft dat deze roddels en fantasieën uiteindelijk het leven hebben verwoest van een jonge vrouw, eigenlijk nog een meisje, dat wilde kiezen voor het leven, maar dat het leven onmogelijk werd gemaakt.

Allard is uiteindelijk weer naar Den Haag gegaan, maar niet voor lang. In de loop van 1706, het jaar van Cilie´s verdwijnen, maakt hij de eerste van een serie lange reizen. Men zegt dat hij dat deed in de hoop afleiding te vinden voor zijn zielsverdriet. Tot zover wat de ´Clapper der Calkoens´ vertelde van Cilie de Cosse, en wat de mensen uit het dorp en de velden daarop als aanvulling wisten te vertellen. Voor zover men daar iets mee zou kunnen.

Albert Steenbergen & Albert Metselaar

1886--Hoogeveen--1999

Het dramatische leven en het dramatisch einde van Cilie en haar Allard, de Drentse Romeo en Julia, maakten grote indruk op de lezers van de Hoogeveensche Courant en de Provinciale Drentsche en Asser Courant, waarin de eerste versies vaan het verhaal vanaf 1883 verschenen. Er verschenen enkele uitgaven van de uitvoeriger novelle, waarvan momenteel nog een herdruk van de oorspronkelijke versie en een verkorte stripversie verkrijgbaar zijn. De Hoogeveense kunstenares Alice Top ontwierp een beeld van Cilie. Ze verbeelde het moment waarop ze voor het laatst, en in haar nachthemd, de woning van De Stroeve verliet. De bronzen Cilie werd 24 augustus 1993 onthuld, bij de Hervormde kerk van het Hollandsche Veld, de streek waar ze gewoond zou hebben, als haar bestaan ooit historisch aangetoond zou kunnen worden……. Maar zijn er niet zoveel Cilie´s, die door achterklap, fantasieën en roddels geen leven hebben, maar wel leven willen?