KARST KIKKERT VERTELT
Op 10 mei 1979 sprak ik enige uren met Karst Kikkert uit Hollandscheveld. Aanleiding tot dat gesprek was het 75 jarig huwelijksjubileum van zijn ouders Jan Kikkert en Jentje Fictorie.
In de STORY van 23 mei 1980 stond een groot artikel over Jan en Jentje Kikkert uit Hollandscheveld die op 14 mei dat jaar 76 jaar getrouwd waren.
In een aantal afleveringen werd het verhaal van Karst Kikkert in 1979 geplaatst in de dorpskrant d'Ollansevelder. Daarin ging het vooral over het wel en wee van z'n ouders. Maar Karst Kikkert vertelde in dat gesprek ook van z'n eigen belevenissen.
Karst Kikkert was het 100ste lid van de Familievereniging Kikkert. Tijdens een bijeenkomst in de Tamboer in Hoogeveen op 21 november 1975, werd hij gehuldigd en werd hem een exemplaar van het Kikkert Familie Wapen aangeboden alsmede het boek "Hoogeveen, van Echten's Morgenland". "Ik had al eens tegen m'n zoons gezegd dat ze mij ook maar op moesten geven, maar het was er nooit van gekomen", vertelt Karst. "Toen er dan ook mensen bij ons aan de deur kwamen die nieuwe leden probeerden te werven heb ik me op laten schrijven. Een tijdje later kreeg ik bericht dat ik de honderdste was en dat ze daar iets aan wilden doen in de Tamboer.
HERINNERINGEN AAN HET DORP
"Hollandscheveld was vroeger een gebied met veel vaarten en kanalen. Vervoer ging bijna allemaal per "bok", een platte schuit zoals ze in Giethoorn nog wel gebruikt worden. Als er feest was, werden die bokken versierd en werd er met bijvoorbeeld de schooljeugd rondgevaren. (Zie FOTOALBUM) Na zo'n rondvaart, die we als ouders en bestuur van de school organiseerden, kregen we eens door een plaatselijke cafehouder een drankje aangeboden in z'n cafe. Daar kwam toen het idee dat het ook wel es leuk zou zijn voor de ouderen om eens een tocht te maken met de bok. Het idee sloeg aan en we maakten een afspraak. Op de morgen dat we zouden gaan trof ik daar in Hollandscheveld m'n oude schooljuffrouw Be Raak. Zij was onderwijzeres op de openbare school in Nw. Moscou geweest en ik had daar les van haar gehad. Ze was ook afkomstig uit het dorp. "Kent U me nog?", vroeg ik haar. Ze keek me aan en zei: "Toch wel één van Jan Kikkerties hè ?". Ze wist niet meer of ik nu Karst of Berend was maar toen ik haar vertelde dat ik Karst was wist ze het weer.Op de openbare school in Nw. Moscou zaten we. Toen ik daar op school zat was het al een oud ge-bouw. M'n vader had daar zelfs al op school gezeten". "Ik ben in het veen grootgebracht. Naar school gaan vonden we ook niet zo belangrijk. Als het mooi weer was ging ik liever mee het veld in. Thuis werd dan al zo ongeveer uitgerekend wat je kon verdienen. Onderweg naar school kwamen we ook kinderen tegen die op weg waren naar de gereformeerde school die veel verderop richting Hollandscheveld aan het Zuideropgaande stond. We scholden ze uit:
" Koksiaan/ dubbele jaan / touw in de bek / oh wat bint die koksen gek!"
De jongens van Post, broers van Johannes Post, de latere verzetsman, dat waren duivels toen. Ze kwamen ons na tot in de school! Maar ze hebben van ons ook wel eens klappen gehad... Een van de jongens bij ons in de klas, Albert Bos heette hij, haalde eens een keer zoveel gekheid uit dat onze meester, meester Vinke geloof ik, het niet meer aankon. De hoofdmeester werd erbij gehaald en met z'n beiden zouden ze Albert uit de schoolbank halen. Dat ging met zoveel kracht, en Albert verdedigde zich zo, dat ze de bank middendoor trokken... Als er ijs lag haalden we ook wel gevaarlijke spelletjes uit. Varen op ijsschotsen bijvoorbeeld. Dat kon als er net weer een melkbok doorheen was gevaren. Je zag het gevaar niet, je waagde van alles. En het liep meestal ook wel goed af. Zwemmen konden we natuurlijk 's zomers ook. Je stapte de zijdeur uit en je sprong zo het water in. Geen zwembroek of zo aan, gewoon de broek uit en de wijk in! Er was bij ons thuis een kind geboren. Ik weet niet meer wie het was want ik was zelf ook nog een jochie, maar wel weet ik dat m'n grootmoeder bij ons thuis was als baakster. M'n vader zei tegen moeder : "Jenne, wij mut toch ok nog een liter jenever hebb'm". M'n moeder stribbelde eerst wat tegen want het kostte ook een paar cent maar het hoorde er bij en dus ging het door. M'n vader moest naar Hoogeveen het kind aangeven en ik mocht mee om bij cafe Metselaar de jenever op te halen. Ik vond dat wel fijn, meelopen naar Hollandscheveld. Grootmoeder ging ook mee en die zou samen met mij weer terug gaan naar huis. Ik kreeg een karrebies mee waar de fles in kon. We liepen over de trambaan terug richting Moscou. Ik liep over de rails en telde de spoorstaven. Gewoon als tijdverdrijf en ook een beetje om te bekijken hoe ver ik het vol zou houden om over die rails te lopen. Ik had het al een heel tijdje volge-houden maar op een gegeven moment schoot ik met m'n been van de rauls en zwiepte de tas met de fles jenever aan barrels op de rails kapot... M'n grootmoe die vaarde behoorlijk tegen me uit maar ik bleef er redelijk koel onder: "Ja, wat moet ik daar nu nog aan doen. Hij is kapot!" En bij mezelf dacht ik, als ze hem opdrinken is ie ook weg.... Thuis kreeg ik er opnieuw van langs. Niet zozeer van m'n moeder, die lag op bed, maar grootmoe begon er steeds maar weer opnieuw over te klagen. Toen m'n vader 's avonds thuis kwam begon ze er ook onmiddellijk tegen hem over. "Kijk toch es, wat die jongen vandaag heeft gedaan", zei ze. "Die liter jenever heeft ie aan stukken gegooid!" M'n vader vatte het ook vrij nuchter op: "Ach ja, wat moeten we daar nu nog aan doen ? Het geval ligt er. Het is niet anders."
"Toen ik ouder was ging ik op een oude fiets zelfs helemaal naar Vriezenveen om turf te graven. Toen ik getrouwd was huurden we elk jaar nog een stuk veen en groeven dat dan af. Geld beuren was er niet bij, dat kwam pas als de turf droog was. We kwamen op Nieuwlande te wonen en op een zaterdag-avond, toen we net getrouwd waren, gingen we naar Hilbert ten Hoeve, een winkelier. We kenden elkaar. Ik zei: "Hilbert, we willen wel graag klant van je worden". "Daar ben ik blij mee", antwoordde ten Hoeve. "Wees maar niet te blij", zei ik, "Want het kan nog wel es fout lopen. Ik ga voor mezelf werken en je moet me eigenlijk direct al "borgen". We deden wat aan tuinbouw. Bij de woning was ruim 20 akker land. De centen komen wel maar het kan ook wel es een keer mis gaan". "We wagen het er maar op", zei ten Hoeve. We woonden er drie jaar, groeven ook nog altijd turf en die verkocht ik weer aan m'n vader die ze op zijn beurt weer uitventte. Als we geld beurden konden de boodschappen ook worden betaald. Als je ging afrekenen kreeg je ook een borreltje meestal.
WERKEN IN NOORD-HOLLAND
" Toen ik nog jong was, zo rond de twintig, en nog ongetrouwd, gingen we werken in Noord-Holland. Ik ben wel eens 20 weken achter elkaar daar geweest. Met de langste dag was het turf-graven bij ons gedaan. De turf die daarna nog gegraven werd kreeg je bijna niet meer droog. Dan trokken we naar Noord-Holland. We pakten de reis-zak, stapten op de fiets en fietsten van Moscou naar Zwolle. Daar stapten we 's avonds op de boot en de andere morgen om een uur of zes stonden we in Amster-dam, bij het Centraal Station. Daar stapten we weer op de fiets en gingen richting Purmerend. Dat was nog een behoorlijk eindje fietsen. In Purmerend gingen we naar de markt om te zien of daar misschien een boer was te vinden die werk voor ons had. Der kwamen ook wel boeren naar toe om arbeiders te zoeken. Wij werkten wel eens voor een bouwboer maar meestal bij een hooiboer. Ik weet nog dat we eens met een heel stel daar heen gingen. Na verloop van tijd had bijna iedereen werk gevonden maar Lambert Tichelaar uit Hollandscheveld, en ik bleven over; Geen werk! We fietsten bijna heel Noord-Holland door maar nergens vonden we werk. Totdat we in Spanbroek kwamen, bij een hooiboer. Een oude vrouw kwam naar buiten en zei dat ze een hooier nodig hadden. We moesten maar even wachten tot haar zoon, de baas, terug was. De vrouw maakte me ondertussen al duidelijk dat ze het liefst had dat ik bleef. Ik had er al eens eerder gewerkt. Zo gebeurde het ook. Ik bleef, maar stelde wel dat ik met m'n kameraad nog mee mee op pad zou gaan om voor hem ook ergens werk te vinden. Weer verder gezocht, maar het viel niet mee totdat we in Schagen bij een boerderij een bordje aan de boom zagen waarop stond: "Twee wieders gevraagd". Wij er heen. Ik deed ook net of ik geen werk had en al gauw ging het over het loon. We vroegen 40 gulden per week. Dat was hem veel te veel."Ik zal jullie een kopje thee ophalen", zei de boer, "dan kunnen jullie even overleggen. " Lambert Tichelaar was niet zo'n snelle. Ik raadde hem aan om het werk maar aan te nemen. Ik had werk dus hoefde niet zo nodig. Daar kwam nog bij dat ik liever voor 25 gulden met de volle kost erbij werkte, dan voor veertig waar je niets bij kreeg. Ik zei hem dat ik niet verder met hem op stap zou gaan als ie het niet aannam. Lambert nam het aan. Maar we hadden onze reiszakken niet bij ons en dus moest Lambert weer hele-maal met me mee terug fietsen naar Obdam om die op te halen. Toen we daar waren en de spullen op de lastdrager hadden zitten wist Lambert de weg niet meer terug naar Schagen... Moest ik nog een keer helemaal met hem mee fietsen daar weer naar toe. Het was bijna donker die avond dat ik weer op mijn werkplek bij de boer terug was. D'eerste de beste zondagmorgen stond Lambert al bijtijds voor de deur bij ons. "Ha", zei hij, "Ik heb me vanmorgen al laten scheren. Dat kan hier ook op zondag." Hij heeft het werk trouwens niet lang volgehouden. Na veertien dagen was het werk klaar en ging ie terug naar huis. Echt een mooie tijd was het niet. Het ging natuurlijk puur om het geld verdienen. Sommigen maakten het ook gelijk weer op, als ze wat verdiend hadden. Dat heb ik nooit gedaan. Tuurlijk, we kochten wel een borrel of een glas bier maar ik deed dat nooit in het gekke. In de week had je daar ook geen tijd voor. Je maakte ook zelf je eten. Het liep al tegen donker als we klaar waren met het werk. Dan moest je aardappe-len schillen. In Amsterdam kochten we een tweedehands petroleumstel voor één gulden en vijfentwintig cent ofzo, en dan kookten we "cipels" (uien) en aardappelen en kon je eten.
Gezellig was het ook wel op een bepaalde manier. De foto hierboven toont de werkers tijdens zo'n gezellige toestand voor een cafe ergens inNoord-Holland. Helemaal links Karst Kikkert, in het midden Hollandschevelder Jan Pol.
Op zaterdag hielden we om 5 uur op te werken en kleedden ons een beetje netjes aan en dan gingen we naar de scheerbaas om ons te laten scheren. Gebeurde hooguit een keer in de week. Ooit gebeurde het op een zondagmorgen dat ik samen met een kameraad op stap ging naar een paar streekgenoten die een eindje verder op een boerderij werkten. We komen daar bij de jongens in de schuur, waar al een gezelschapje aanwezig was, en toen is een van die knapen aan het haar knippen. "Zo Harm", zei ik, dus jij wilt die jongens het haar knippen?" "Ja", antwoordde Harm, "of moet jij ook een knipbeurt". "Nou, dat lijkt me wel wat. Goedkoper kan het dunkt me niet want jij zal het wel voor niks doen." "Zeker", zei Harm. "Ga maar zitten". Ik kreeg een oud boezeroen om me heen zodat het haar niet zo tussen de kleren kwam en ging zitten. Harm ging aan het werk maar toen ie klaar was en ik het resultaat in de spiegel zag, bleek dat ie me een kruis door m'n haar had geknipt. Kwaad was ik natuurlijk, maar Harm vond het mooi... Ik besloot dat dan alles er maar af moest en zo gebeurde het ook. De volgende dag moest ik buiten op het land aan het werk. Het was mooi zonnig weer, eind september was het geloof ik en laat me nou m'n hele hoofd verbranden in de zon! Ik heb er daarna nog een week of zes gewerkt en toen ik daarna in Amster-dam kwam kon ik m'n haar weer normaal laten knippen. Toen was het allemaal weer aangegroeid. Gelukkig wel, want met zo'n kale kop kon je je thuis toch eigenlijk niet vertonen!
Toen ik net getrouwd was schreef ik nog eens een briefje. Je schreef in die tijd nog wel eens, ook om de kontakten te bewaren en daarin zei ik dat nu liever bij de vrouw thuis wilde blijven. We hadden zelf veen en in de herfst ging je aardappelen rooien voor boeren in de buurt. Ik ben eigenlijk vanaf m'n trouwen eigen baas geweest. In de werkverschaffing heb ik nooit gewerkt. Dat kunnen er niet veel van mijn leeftijd zeggen.
Links op deze foto Karst Kikkert, naast hem zijn collega Jan Pol. Op de plaat is duidelijk te lezen: "Groeten uit Zaandam"
Een paar jaar geleden ben ik nog eens weer terug geweest in die streek. In de buurt van Obdam was het. We reden er wat rond en ontdekten dat de boerderij er nog precies zo stond als in de tijd dat ik daar werkte! Het was inmiddels een tuindersbedrijf geworden en ik ging een kijkje nemen bij de boer die er woonde. Ik vertelde dat ik op zoek was naar de familie Koning die daar vroeger had gewoond. De boer wist van niets maar verwees ons naar een adres een paar huizen verder. Daar zou iemand van mijn leeftijd wonen die misschien meer kon vertellen. Ik belde daar aan, het was ook een boer, en die nodigde ons binnen om eens gezellig te komen praten.Daar was het me net om begonnen en we kletsten wat over de tijd van vroeger. Hij had de fam. Koning goed gekend. Wist zelfs dat ze een dienst-meid hadden gehad en een knecht. Die knecht was ik! Daar verdienden we, tussen twee haakjes, toen 25 gulden en de kost. Dat was in die tijd een goed loon. We praatten nog wat verder en de naam van de dienstmeid werd genoemd: een zekere Geertje Dekker. De boer vreesde dat die al overleden was. Maar ik gaf de man toch maar m'n adres en telefoonnummer. Het duurde misschien wel een half jaar toen we een brief kregen van de boer, Schagen heette hij. Hij schreef dat hij het mis had gehad toen hij had verteld dat Geertje Dekker al dood was. Ze leefde nog en ze vierde die dagen zelfs een huwe-lijksjubileum. Als ik haar nog feliciteren wilde dan was hier haar adres. Ik ben direct gaan zitten en heb een brief geschreven. Het duurde maar even of ik kreeg een brief terug. Vier grote vellen volgeschreven over wat we vroeger allemaal hadden beleefd daar. Prachtig was dat! Die Geertje Dekker was van blijdschap bijna tegen de zolder aangevlogen... Het was ook een beste meid indertijd. Ze deed de was voor ons enzo, ter-wijl ze dat normaal niet deden. Prachtig om zoveel jaar later nog eens weer kontakt met zo iemand te krijgen.
Ik werkte eens bij m'n schoonvader in het bos. Ik moest de "bosgruppies" wat opschonen. Het was in de buurt van het Oostopgaande. Ik was er op die dag alleen. Ik kon zelf een beetje m'n werktempo bepalen. Erg veel deed ik niet, maar ik hoefde me ook niet te vervelen. Ik had zicht op het Oostop-gaande en daar zag ik een eindje verderop de veldwachter van Nieuwlande aan komen fietsen. Huisman heette die. Dat was nogal een "kwaad" kereltje. Naast de fiets liep een grote herdershond en ik dacht bij mezelf: "Nou Huisman, zometeen, als je ongeveer tegenover me bent, gaat er een dikke steen het Oostopgaande in!" Ik stond met de steen te wachten tot ie in de buurt was en wist de zware kei in het water te slingeren. Huisman schrok en stapte van de fiets af om te kijken wie dat had geflikt. Bang voor hem was ik niet, want als hij aan mijn kant van het water zou proberen te komen was ik hem al lang gesmeerd. En in het bos kreeg ie me nooit... Het liep goed af. Hij heeft waarschijnlijk nooit geweten wie hem dat kunstje flikte... Samen met m'n broer Berend en nog een aantal mensen uit de streek moesten we ooit voor boer Ormel uit de Krim een stuk land diep door spitten. Dat ging wel 60-70 cm diep soms. Zwaar werk waar we ¦ 2,80 per roe voor kregen. Per dag konden we met z'n tweeen een roe per dag spitten. We waren eigenlijk nog van die kwajon-gens. Het was hard werken en ook heel zwaar werk. Ormel kwam af en toe langs om te kijken of het goed gebeurde en hij bracht op zaterdag ook ons loon. M'n broer stapte bij zo'n bezoekje van de boer op hem af en maakte hem duidelijk dat er voor dit zware werk best wat meer geld betaald kon worden. "Dit kan nooit", zei hij, "We verdienen bijna niks!" "Je krijgt er niet meer voor betaald", antwoordde Ormel, "want als je aan de andere kant van de weg komt te spitten is het een stuk lichter. Daar hoef je lang niet zo diep door. Dat scheelt wel een volle stek spitten en daar krijg je hetzelfde voor betaald!". We hielden ons stil maar de week daarop kwamen we op dat andere stuk aan het werk. Ormel kwam weer langs om uit te betalen en vroeg hoeveel geld er betaald moest worden. We gaven het aantal roe's op dat we hadden afgewerkt en bereken-den het loon. Maar toen probeerde de boer ons uit. "Nee, hier-voor krijg je minder dan voor de andere kant", zei hij. " Met 2 gulden 50 is dit goed betaald!" M'n broer Berend was niet zo'n hele grote kerel. We zeiden vaak "Berendtie" tegen hem. Maar hij stapte op Ormel af met z'n schop bij zich en ging dreigend voor de grote kerel staan. "Dan moet je nu wel weten wat je wilt", zei Berend. "Betalen of niet betalen. En als je niet wil betalen dan krijg je een pak rammel met de schop!" De rest van de ploeg stond er wat bij te lachen. Ormel scharrelde voorzichtig achteruit en Berend achter hem aan. "Als je nou nog een stap verder gaat", dreigde Berend, "Dan sla ik je kop der af, dan zien ze je in de Krim nooit weer!!!" Ormel haalde bakzeil: "Doe kriejgst het derbie" .... En dankzij Berend kregen we allemaal het loon dat we hadden verdiend. Het was bluf van m'n broer want dat had ie natuur-lijk nooit gedaan. Maar Ormel durfde het risico toch niet te nemen. Een jaar later, we waren terug uit Noord Holland, zochten we weer werk in de buurt. Met een stel trokken we weer naar de Krim want Ormel was weer spitters nodig. Helaas, toen we bij hem aan de deur kwamen had ie ons te grazen. Hij had niemand nodig zei hij. We hebben later ook nooit weer voor de man gewerkt.
BEZETTINGSTIJD
In de bezettingstijd hebben we ook wel het een en ander beleefd. Ook wel mooie dingen, ondanks de angst die er toch ook was. In die tijd kwam ik eens bij Hendrik Schonewille op Nieuwlande en ik kocht een schaap van hem. En best dik schaapram. De bedoeling was, het beest na een paar dagen te slachten. We konden het vlees en de wol best gebruiken. 's Avonds werd het schaap op de deel gehaald en het mes gescherpt. Het schaap moest de kop missen. Niet dat ik daar nou zo'n held in was, in dat slachten, maar er kwam vlees en dan doe je het gewoon. Ik stond al met het mes klaar om het beest de hals door te snijden toen m'n vrouw riep: "Doe het maar niet, want wie weet wat er met je gebeurt als ze ons snappen!" Ze praatte net zolang op me in dat ik besloot het schaap terug te brengen naar z'n hok. Een tijdje later werd de situatie thuis er niet beter op. We hadden bijna geen sokken meer voor de kinderen en vlees was er ook niet. Ik zei tegen de vrouw: " laat me nu maar dat beest slachten. Dan is er weer vlees en ook garen om sokken van te breien. Wat wil je nu nog meer". Ze gaf toe dat het eigenlijk wel nodig was. Het schaap werd weer opgehaald en kwam weer op de vloer. Toen ging het mes er wel door. Het bloed werd opgevangen zodat het niet zichtbaar zou zijn op de vloer en ik vilde het dier. En zoals dat vroeger ging, het schaap kwam op de ladder. De darmen werden er uit gehaald want die waren ook nog geld waard en het vel werd opgerold. Ik had geleerd dat, als je het vel een paar dagen opgerold in de aardap-pelkelder legde, dan kon je wol er heel makkelijk af halen. Met de wol ging ik naar iemand die een spinnewiel had en er garen van kon spinnen, het vlees werd gezouten en zo konden we weer verder. Een jaartje later kwam er iemand uit Nieuwlande bij me, een kleine boer net als ik. Ik had een paar schapen, hij ook. Je moest af en toe ook aan de Duitsers leveren en het liefst bracht je dan een mager scharminkel. De man uit Nieuwlande kwam met het idee om samen iets te ondernemen. Een mager schaap van mij zou bestemming Duitsers krijgen en samen zouden we een dik zwaar schaap van hem slachten. We kwamen overeen dat hij ook nog een mud haver van mij erbij zou krijgen. Bij zijn boerderij werd het dikke schaap geslacht. Z'n vrouw hield de omgeving in de gaten want ze mochten je natuurlijk niet snappen. Het ging allemaal goed en mijn deel van het vlees werd in een kussensloop verpakt en achter op de fiets gebon-den. Via allerlei bosweggetjes wist ik zonder problemen thuis te komen waar het vlees direct werd ingekuipt. Konden we weer een tijdje vooruit. Een schaap laat zich trouwens zonder problemen slachten. Een geit niet. Die maakt zoveel lawaai dat je hem vijfhonderd meter verderop nog kan horen. En dat was in die bezettingstijd bloedlink."
"Als er vroeger een bruiloft was, dan hoefde daar niet een band te staan zoals tegenwoordig. Er was altijd wel iemand die een paar voordrachten of zo kon doen. Ik heb het ook wel eens gedaan. Ik wist ook meestal wel wat te vertellen. Het werd ook gewaardeerd."
Vier uur van de vertelkunst van Karst Kikkert heb ik op die avond in mei 1979 kunnen vastleggen. Te weinig, vind ik achteraf en ik zou iedereen met een cassetterecorder willen aanraden om niet tot morgen uit te stellen wat vandaag nog kan. Het zijn niet alleen de verhalen die een dergelijk document de moeite waard maken. Het is de verteller zelf, die in z'n eigen taal, met z'n eigen woorden vertelt van een tijd die binnen zeer korte tijd alleen nog maar in de geschiedenisboekjes bestaat. De generatie van Karst Kikkert, die in onze streek (en dat geldt ook voor andere streken) nog de armoede en het "sappelen" voor het bestaan meemaakte is al zo ongeveer weg. En daarmee zijn ook de ooggetuigen weg, de mensen die die tijd aan de lijve ondervonden. Ik zou iedereen die een opnameapparaat bezit willen aanraden dat ding eens op tafel te zetten en eens een avondje te gaan praten met vader, moeder, opa of oma, oom of tante. Professionele interviewtechnieken hoef je daarvoor niet te kennen. Gewoon zo'n ding neerzetten en kletsen! Er komt in 9 van de tien gevallen wel het een en ander naar boven dat de moeite van het opschrijven waard is!
En zelfs na jaren komt de verteller dankzij zulke banden even weer tot leven bij het afluisteren....
Karst Kikkert was tot op hoge leeftijd nog actief in Hollandscheveld. Als "Opa Kikkert" werkte hij o.a. jarenlang mee in de kinderspeeltuinweken van de Hollandscheveldse speeltuin.
Hij overleed op 28 maart 1992, 85 jaar oud.
Bertus ten Caat
Wilt U meer weten over de familie Kikkert, Klik dan op het familiewapen!